Wet op de Ruimtelijke Ordening

Wet op de Ruimtelijke Ordening van 5 juli 1962, houdende vaststelling van nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is bij de wet nieuwe voorschriften omtrent de ruimtelijke ordening vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Begripsomschrijving

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

planologische kernbeslissing: een plan als bedoeld in artikel 2a;

concrete beleidsbeslissing: een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan;

Onze projectminister: Onze minister die overeenkomstig artikel 39a, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

rijksprojectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 39b;

inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar.

Hoofdstuk II. Rijks planologisch beleid

Artikel 2

1.A?Onze Minister verricht het nodige ter voorbereiding en ter uitvoering van het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening. De uitkomsten hiervan worden, met inachtneming van de grenzen gesteld bij of krachtens de Wet openbaarheid van bestuur, gepubliceerd.

2.A?Jaarlijks doet Onze Minister aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal in de memorie van toelichting op het desbetreffende hoofdstuk van de Rijksbegroting toekomen:

a. een verslag van het door de Regering gevoerde beleid inzake de ruimtelijke ordening;
b.A?een wetgevingsprogramma gericht op harmonisatie en coA?rdinatie van ruimtelijk relevante wetgeving.

Artikel 2a
1.A?De Ministerraad stelt voor bepaalde aspecten van het nationale ruimtelijke beleid plannen vast. Deze plannen kunnen bestaan uit structuurschetsen, structuurschema’s of nota’s, die van belang zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid, zoals nader bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de vaststelling van andere plannen op grond van deze wet in acht genomen. De in het eerste volzin bedoelde plannen worden voorbereid door Onze Ministers, wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen. Van het voornemen een plan voor te bereiden doen Onze Ministers mededeling aan de Staten-Generaal. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad, ingesteld bij de Wet op de VROM-raad. In het plan wordt vermeld voor welke tijdsduur het geldt.

2.A?Op de voorbereiding van het plan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a.A?daaraan toepassing wordt gegeven door de eerstverantwoordelijke van Onze Ministers als bedoeld in het eerste lid;

b.A?zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;

c.A?de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen twaalf weken bedraagt.

3.A?Onze in het eerste lid bedoelde Ministers kunnen de VROM-raad verzoeken advies uit te brengen over het ontwerp. De raad brengt zijn advies uit binnen een door Onze bedoelde Ministers te bepalen termijn, die ten hoogste twaalf weken na de in het tweede lid, onder c, bedoelde termijn beloopt.

4.A?Onze in het eerste lid bedoelde Ministers zenden het ontwerp gelijktijdig met de terinzagelegging aan de Staten-Generaal.

5.Het plan wordt uiterlijk negen maanden na de terinzagelegging aan de instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onderworpen. De motivering van het plan vermeldt in elk geval op welke wijze door de Ministerraad bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met overeenkomstig artikel 3:15 naar voren gebrachte zienswijzen, uitkomsten van bestuurlijk overleg en het advies, bedoeld in het derde lid.

6.A?Alvorens omtrent instemming te besluiten stelt de Tweede Kamer Onze in het eerste lid bedoelde Ministers in de gelegenheid het plan te wijzigen. De Tweede Kamer zendt het plan, voor zover zij daarmee heeft ingestemd, onverwijld naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer besluit tot verlening of tot onthouding van instemming met het plan, zoals het daar ligt. De Eerste Kamer wordt geacht te hebben ingestemd met het plan, indien zij niet binnen vier weken na ontvangst van het plan uitdrukkelijk tot behandeling ervan besluit.

7.A?De bekendmaking van het plan waarmee beide Kamers hebben ingestemd geschiedt door terinzagelegging op door Onze in het eerste lid bedoelde Ministers te bepalen plaatsen. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

8.A?Het plan treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig het zevende lid ter inzage is gelegd.

Artikel 2b

1.A?Een planologische kernbeslissing kan geheel of gedeeltelijk worden herzien of ingetrokken. Artikel 2a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.A?Uiterlijk A?A?n jaar voor de geldingsduur van een plan verstrijkt, delen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde Ministers aan de Staten-Generaal mede of en in hoeverre zij voornemens zijn toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid. Afschrift van deze mededeling zendt Onze Minister aan de VROM-raad.

3.A?Bij de mededeling aan de Staten-Generaal van het voornemen tot herziening of intrekking doen Onze in artikel 2a, eerste lid, bedoelde Ministers de Staten-Generaal weten of en in hoeverre zij bij de herziening of intrekking toepassing zullen geven aan het bepaalde in artikel 2a, tweede, derde of vierde lid.

4.A?Voor zover de herziening of intrekking een concrete beleidsbeslissing betreft is het derde lid niet van toepassing.

5.A?Ten aanzien van een herziening of intrekking is artikel 2a, vijfde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien het ontwerp van een besluit tot herziening of intrekking niet ter inzage is gelegd, de toezending van dat besluit aan Staten-Generaal onverwijld na vaststelling door de Ministerraad geschiedt.

Artikel 2c

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het bepaalde in de artikelen 2a en 2b.

Artikel 3

1.
Maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening, komen tot stand door tussenkomst van de Rijksplanologische Commissie.

2.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur al dan niet onder het stellen van voorwaarden, afwijking van het eerste lid toestaan.

Artikel 3a

De in deze wet voorziene algemene maatregelen van bestuur treden niet eerder in werking dan twee maanden na de dagtekening van het Staatsblad, waarin de desbetreffende besluiten zijn geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld aan de Staten-Generaal mededeling gedaan.

Hoofdstuk III. Provinciaal planologisch beleid

Artikel 4

1.
Gedeputeerde staten verrichten het nodige ter voorbereiding van de bepaling van het provinciale beleid inzake de ruimtelijke ordening. Over maatregelen en plannen, die van betekenis zijn voor dit beleid, horen zij vooraf de provinciale planologische commissie.

2.
Jaarlijks doen gedeputeerde staten aan provinciale staten een verslag toekomen van het door hen gevoerde beleid inzake de ruimtelijke ordening.

Artikel 4a
1.

Provinciale staten kunnen voor A?A?n of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien. Indien een onderdeel van een zodanig plan een concrete beleidsbeslissing is, wordt die beslissing bij de uitwerking of afwijking bedoeld in het tiende lid of bij de vaststelling van gemeentelijke of regionale plannen als bedoeld in de hoofdstukken IV of IVA van deze wet in acht genomen. Provinciale staten geven bij het plan aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, het provinciale waterhuishoudingsbeleid of het provinciale verkeers- en vervoersbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale milieubeleidsplan, het geldende provinciale waterhuishoudingsplan of het geldende provinciale verkeers- en vervoersplan te herzien. Een streekplan strekt tot grondslag aan aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, vijfde lid.
2.

Gedeputeerde staten zijn met de voorbereiding belast. Hierbij horen zij de provinciale planologische commissie.
3.

Op de voorbereiding van het streekplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a.

de terinzagelegging tevens geschiedt ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het plan betrekking heeft;
b.

aan artikel 3:12 van die wet tevens toepassing wordt gegeven door burgemeester en wethouders van elke gemeente op wier gebied het plan betrekking heeft;
c.

zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
4.

Binnen vier maanden na afloop van de in het derde lid genoemde termijn stellen provinciale staten het streekplan vast. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste acht weken verdagen. Voor zover bij de vaststelling van het plan wijzigingen worden aangebracht ten opzichte van het ontwerp en de gewijzigde vaststelling een concrete beleidsbeslissing betreft, wordt Onze Minister tevoren in de gelegenheid gesteld alsnog daarover zienswijzen naar voren te brengen.
5.

Voor zover het ontwerp van een streekplan zijn grondslag vindt in een in een planologische kernbeslissing opgenomen concrete beleidsbeslissing is het derde lid, onder c niet van toepassing.
6.

Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 4b, eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan binnen twee weken na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede het derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.
7.

Besluiten tot vaststelling van een streekplan worden terstond na dagtekening aan Onze Minister medegedeeld door toezending van een afschrift. Indien in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen gaat het afschrift vergezeld van een exemplaar van het streekplan.
8.

Bij een streekplan wordt bepaald, in hoeverre gedeputeerde staten volgens bij het plan aan te geven regelen het plan moeten uitwerken en binnen bij het plan te bepalen grenzen van het plan mogen afwijken. De uitwerking of afwijking kan geen concrete beleidsbeslissing inhouden.
9.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en inrichting van streekplannen.

Artikel 4b

1.
Voor zover in het streekplan een concrete beleidsbeslissing is opgenomen kan Onze Minister binnen vier weken na de toezending van het afschrift van het besluit tot vaststelling van het streekplan provinciale staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt ten aanzien van die concrete beleidsbeslissing toepassing te geven aan artikel 6.

2.
Onze Minister geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien hij op grond van artikel 4a, derde of vierde lid, zienswijzen over die concrete beleidsbeslissing naar voren heeft gebracht wegens kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid.

3.
Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid, wordt het besluit tot vaststelling van het streekplan met ingang van de zesde week na de dagtekening daarvan bekendgemaakt door dit besluit samen met het vastgestelde streekplan voor een ieder ter inzage te leggen op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.

4.
Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid, zendt hij gelijktijdig een afschrift van zijn mededeling aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.

5.
Binnen twaalf weken na dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent toepassing van artikel 6.

6.
Onze Minister maakt zijn besluit binnen een week na dagtekening daarvan bekend aan provinciale staten. Indien Onze Minister niet heeft beslist binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn, wordt het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke mededeling van dat feit.

7.
Het besluit van Onze Minister of de mededeling, bedoeld in het zesde lid, wordt met het vaststellingsbesluit van provinciale staten en het vastgestelde streekplan door gedeputeerde staten bekendgemaakt door terinzagelegging voor een ieder op het provinciehuis en ter secretarie van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft.

8.
Indien het besluit van Onze Minister strekt tot toepassing van artikel 6 blijft voor wat betreft het daarbij aangegeven gebied, het besluit van provinciale staten tot vaststelling van het streekplan buiten werking.

Artikel 5

1.
Een streekplan wordt, behoudens door Onze Minister voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde bij artikel 6, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.

2.
Ten aanzien van de herziening en de intrekking van een streekplan zijn de artikelen 4a en 4b van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6
1.

Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie gehoord, de provinciale staten verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een streekplan vast te stellen of te herzien.
2.

Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, aan de provinciale staten aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een streekplan.
3.

Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het provinciaal bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant en daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4.

Provinciale staten zijn verplicht, bij de herziening van een streekplan dit plan in overeenstemming te brengen met de in het tweede lid bedoelde aanwijzingen. Voor zover deze aanwijzingen betrekking hebben op een gebied waarvoor geen streekplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra provinciale staten tot vaststelling van een streekplan overgaan.
5.

Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het streekplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
6.

Indien provinciale staten niet voldoen aan een verplichting, als bedoeld in het eerste en vierde lid, gaat Onze Minister op kosten van de provincie over tot het vaststellen of herzien van een streekplan. In dit geval is artikel 4a, derde lid, van toepassing, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van provinciale staten en gedeputeerde staten.
7.

Een streekplan dat ingevolge het zesde lid is tot stand gekomen of herzien, wordt geacht te zijn vastgesteld door provinciale staten.

Hoofdstuk IV. Gemeentelijk planologisch beleid

Afdeling 1. Het betrekken van de bevolking bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen

Artikel 6a [Vervallen per 01-07-2005]

Afdeling 2. Structuurplannen

Artikel 7

1.
De gemeenteraad kan voor het grondgebied van de gemeente een structuurplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van de gemeente wordt aangegeven.

2.
De gemeenteraad kan in samenwerking met de raden van aangrenzende gemeenten voor het gebied van de betrokken gemeenten een structuurplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van die gemeenten wordt aangegeven.

Artikel 8

Op de voorbereiding van het structuurplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a.
burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen;
b.
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.

Artikel 9

De vaststelling van het structuurplan wordt bekendgemaakt door het besluit tot vaststelling samen met het structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter gemeentesecretarie. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 8, onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het structuurplan mededeling gedaan aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur.

Afdeling 3. Bestemmingsplannen

Artikel 10

1.
Voor het gebied van de gemeente, dat niet tot een bebouwde kom behoort, stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast, waarbij, voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en zo nodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Deze voorschriften mogen slechts om dringende redenen een beperking van het meest doelmatige gebruik inhouden en mogen geen eisen bevatten met betrekking tot de structuur van agrarische bedrijven. Onder grond wordt water mede begrepen.

2.
Voor het gebied van de gemeente, dat tot een bebouwde kom behoort, of voor een gedeelte daarvan, kan de gemeenteraad een bestemmingsplan, als in het vorige lid bedoeld, vaststellen.

3.
Gedeputeerde staten kunnen voor een door hen te bepalen termijn van de in het eerste lid bedoelde verplichting ontheffing verlenen.

Artikel 11

1.
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken of binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. De wijzigingsbevoegdheid kan mede een uitwerkingsplicht inhouden. Bij het plan wordt geregeld op welke wijze belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijzen omtrent de uitwerking of wijziging naar voren te brengen.

2.
De besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval van de gemeenteraad, behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten. Met het besluit ontvangen gedeputeerde staten de bij burgemeester en wethouders, of in voorkomend geval de raad, ingebrachte zienswijzen.

3.
Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na de verzending ter goedkeuring aan de gemeenteraad bekendgemaakt. In afwijking van artikel 10:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

4.
De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

5.
Het besluit van gedeputeerde staten wordt door burgemeester en wethouders bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het uitwerkings- of wijzigingsplan en het desbetreffende bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

6.
Uitwerkingen en wijzigingen als in dit artikel bedoeld worden geacht van het plan deel uit te maken, met dien verstande, dat zij, zolang en voor zover de bestemming nog niet verwerkelijkt is, kunnen worden herzien op dezelfde wijze, als waarop zij tot stand zijn gebracht.

7.
In afwijking van het tweede lid behoeven de besluiten van burgemeester en wethouders of, in voorkomend geval, de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van het bestemmingsplan geen goedkeuring van gedeputeerde staten, voor zover deze in hun besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan zulks hebben omschreven en tegen die uitwerking of wijziging niet van zienswijzen is gebleken. Zodanig besluit van burgemeester en wethouders of de raad wordt bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het uitwerkings- of wijzigingsplan en het desbetreffend bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing. Van zodanig besluit tot uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan zenden burgemeester en wethouders onverwijld afschrift aan gedeputeerde staten.

Artikel 12

1.
Bij een bestemmingsplan kunnen voor een daarbij te stellen termijn:

a.
voorlopige bestemmingen worden aangewezen;
b.
voorlopige gebruiksregelen als bedoeld in artikel 10 worden gegeven.

2.
De gemeenteraad kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste drie jaren verlengen.

Artikel 13

1.
Bij een bestemmingsplan kunnen voor zover het gronden betreft, waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

2.
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat met de verwerkelijking van gemeentewege van A?A?n of meer onderdelen daarvan eerst na een bij het plan te bepalen tijdstip een aanvang kan worden gemaakt.

Artikel 14

Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

a.
om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;
b.
ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

Artikel 15

1.
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn:

a.
van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen;
b.
ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

2.
Bij het plan kan worden bepaald, dat vrijstelling van bepaalde voorschriften slechts kan worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3.
Aan een vrijstelling als bedoeld onder a van het eerste lid mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen. Aan de vrijstelling kan een termijn worden verbonden, waarbinnen van de vrijstelling gebruik moet zijn gemaakt.

Artikel 16

Bij een bestemmingsplan kan ten aanzien van bepaalde werken uit te voeren in bepaalde gebieden worden voorgeschreven, dat bouw- of aanlegvergunning slechts mag worden verleend mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Artikel 17

1.
Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Het derde lid van artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.

2.
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat de toepasselijkheid van dit artikel is uitgesloten indien het belang ter bescherming waarvan een bepaalde bestemming in het plan is opgenomen, zich niet verdraagt met een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

3.
Burgemeester en wethouders zenden van iedere vrijstelling onverwijld afschrift aan de inspecteur.

4.
Na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn is degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger verplicht de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

5.
De in het vierde lid genoemde verplichting wordt opgeschort, indien voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn een ontwerp voor een op opheffing van bedoelde strijdigheid gerichte herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Deze opschorting duurt totdat de termijn bedoeld in artikel 25 is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26 is overschreden, dan wel omtrent goedkeuring van de herziening onherroepelijk is beslist. Ingeval van goedkeuring vervalt de verplichting.

6.
Indien degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger in gebreke blijft aan zijn verplichting als in het vierde lid bedoeld te voldoen, schrijven burgemeester en wethouders hem onverwijld aan tot naleving van die verplichting.

7.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften geven, die bij het verlenen van vrijstelling ingevolge dit artikel in acht genomen moeten worden.

Artikel 18

1.
Burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 17 of toepassing zal worden gegeven aan het derde lid.

2.
Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het derde lid wordt de vrijstelling geweigerd.

3.
Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a.
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
b.
in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

Artikel 18a [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 19
1.

De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
2.

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieA?A?n van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.
3.

Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Het derde lid van artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.
4.

Vrijstelling krachtens het eerste lid wordt niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor
a.

het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of
b.

geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Artikel 19a
1.

Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, bevat een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen. Artikel 15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.

De gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, of toepassing zal worden gegeven aan het vierde lid.
3.

Indien besloten wordt geen toepassing te geven aan het vierde lid wordt de vrijstelling geweigerd.
4.

Op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a.

zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
b.

in afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, indien geen verklaring van geen bezwaar is vereist.
5.

De gemeenteraad beslist of in voorkomend geval burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging omtrent het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar.
6.

Indien tot aanvraag van de verklaring van geen bezwaar wordt besloten, wordt deze binnen twee weken nadien met de aanvraag om vrijstelling en de in voorkomend geval naar voren gebrachte zienswijzen aan gedeputeerde staten gezonden.
7.

Alvorens het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, te nemen, horen gedeputeerde staten de inspecteur.
8.

Het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, wordt binnen acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekendgemaakt. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekendgemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring.
9.

Indien de inspecteur aan gedeputeerde staten te kennen heeft gegeven dat de beoogde vrijstelling in kennelijke strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid en gedeputeerde staten niettemin besluiten tot verlening van de verklaring van geen bezwaar, treedt het besluit van gedeputeerde staten niet in werking. Gedeputeerde staten doen hiervan mededeling bij de bekendmaking van hun besluit aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders, onder gelijktijdige verzending van een afschrift aan de inspecteur.
10.

Onze Minister kan gedurende acht weken na verzending aan de inspecteur van de mededeling, bedoeld in het negende lid, het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een eigen besluit inhoudende weigering van de verklaring. Alvorens te besluiten hoort hij de Rijksplanologische Commissie en gedeputeerde staten. Indien Onze Minister binnen die termijn geen besluit heeft bekendgemaakt dan wel zoveel eerder als hij heeft medegedeeld van vervanging af te zien, treedt het besluit van gedeputeerde staten in werking. Gedeputeerde staten doen daarvan mededeling aan de gemeenteraad of in voorkomend geval burgemeester en wethouders.
11.

In afwijking van artikel 3:18, eerste en tweede lid, beslist de gemeenteraad of beslissen in voorkomend geval burgemeester en wethouders omtrent het verlenen van vrijstelling binnen twee weken na de inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten. Burgemeester en wethouders zenden afschrift van het besluit omtrent vrijstelling aan de inspecteur.
12.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven die in acht moeten worden genomen alvorens vrijstelling mag worden verleend.

Artikel 19b

Een krachtens de artikelen 15, 17 of 19 verleende vrijstelling wordt door burgemeester en wethouders als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen, zodra die vrijstelling is verleend. Een zodanige bijlage is geen onderdeel van het bestemmingsplan.

Artikel 20

De voorschriften van het bestemmingsplan blijven buiten toepassing voor zover deze:

a. betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning vereist is, of

b. betrekking hebben op het gebruik van bouwwerken en standplaatsen dat voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet.

Artikel 21

1.
De gemeenteraad kan verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit). Indien artikel 37, eerste of vierde lid, toepassing hebben gevonden, hebben Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten gelijke bevoegdheid.

2.
Bij een voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.

3.
Bij een voorbereidingsbesluit kunnen voorschriften als bedoeld in artikel 14 worden gegeven voor zover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming.

4.
Een besluit als in het eerste lid bedoeld vervalt, indien niet binnen A?A?A?A?n jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

5.
Is het voorbereidingsbesluit genomen door Onze Minister, dan kan hij de in het vierde lid genoemde termijn eenmaal met A?A?n jaar verlengen. Hetzelfde geldt voor gedeputeerde staten, indien zij het voorbereidingsbesluit hebben genomen.

6.
Geldt het voorbereidingsbesluit voor een gebied dat tot een bebouwde kom behoort en ten aanzien waarvan bij een structuurplan aanwijzingen voor de bestemming zijn gegeven, dan kan in afwijking van het vierde lid bij het besluit worden bepaald, dat het besluit vervalt indien niet binnen een bij het besluit aan te geven termijn het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd. Die termijn mag op niet langer dan twee jaar gesteld worden.

Artikel 22

De bekendmaking van een voorbereidingsbesluit geschiedt door terinzagelegging van dit besluit voor een ieder. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Van het voorbereidingsbesluit wordt tevens mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 23

1.
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a.
burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant plaatsen;
b.
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.

2.
Worden in het ontwerp van een bestemmingsplan ingevolge artikel 13, eerste lid, gronden aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, dan geschiedt daarvan, onverminderd het eerste lid, afzonderlijke kennisgeving aan degenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van die gronden of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die gronden onderworpen zijn.

Artikel 24

Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing is artikel 23, eerste lid, onder b, alsmede artikel 27, eerste en tweede lid, niet van toepassing.

Artikel 25

Binnen acht weken of, indien over het ontwerp tijdig een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn beslist de gemeenteraad omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Artikel 26

Het bestemmingsplan wordt zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

1.
Degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, alsmede een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet overeenkomstig artikel 23 juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan gedurende de in artikel 26 genoemde termijn van terinzageligging bij gedeputeerde staten bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.

2.
Voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan een ieder gedurende de in artikel 26 bedoelde termijn bij gedeputeerde staten daartegen bedenkingen inbrengen.

Artikel 28

1.
Het bestemmingsplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit tot vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden.

2.
Indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht krachtens artikel 27, wordt het besluit omtrent goedkeuring bekendgemaakt binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging, bedoeld in artikel 26. Alvorens het besluit te nemen, horen gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. De goedkeuring kan worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven dan wel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

3.
Aan het plan wordt geacht goedkeuring te zijn onthouden, indien het eerste lid, tweede volzin, niet is nageleefd en niet tijdig een besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt.

4.
Indien het besluit van gedeputeerde staten strekt tot het onthouden van goedkeuring, kunnen daarbij voorschriften als bedoeld in artikel 14 worden gegeven voor zover dat noodzakelijk is om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming.

5.
Gelijktijdig met de bekendmaking doen gedeputeerde staten mededeling van hun besluit door toezending van een afschrift aan hen die bedenkingen hebben ingebracht krachtens artikel 27, aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Indien het derde lid dan wel artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden wordt het besluit van gedeputeerde staten vervangen door een schriftelijke mededeling van gedeputeerde staten van dat feit.

6.
Behoudens indien toepassing kan worden gegeven aan artikel 29, eerste lid, wordt binnen twee weken na de bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van gedeputeerde staten dit besluit, of zo het derde lid dan wel artikel 10:31, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, de schriftelijke mededeling van dat feit, met het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

7.
Een besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

Artikel 29

1.
Onze Minister kan binnen vier weken na de bekendmaking van het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan aan gedeputeerde staten schriftelijk mededelen dat hij overweegt dat besluit voor zover in kennelijke strijd met het nationaal ruimtelijk beleid te vervangen door een eigen besluit.

2.
Voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot goedkeuring geeft Onze Minister slechts toepassing aan het eerste lid, indien de inspecteur op de in het eerste lid genoemde grondslag bedenkingen heeft ingebracht bij gedeputeerde staten op grond van artikel 27, eerste of tweede lid.

3.
Indien Onze Minister geen toepassing geeft aan het eerste lid wordt het besluit van gedeputeerde staten met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking, bedoeld in artikel 28, vijfde lid, ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd.

4.
Indien Onze Minister toepassing geeft aan het eerste lid zenden gedeputeerde staten hem terstond hun besluit onder bijvoeging van de zich onder hen bevindende, op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover dit niet in strijd is met enige wettelijke bepaling tot geheimhouding.

5.
Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid doet Onze Minister daarvan gelijktijdig mededeling door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan de betrokken gemeente en aan de inspecteur. Artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

6.
Binnen twaalf weken na de dagtekening van de in het eerste lid bedoelde mededeling beslist Onze Minister omtrent vervanging van het besluit van gedeputeerde staten. Alvorens te beslissen hoort hij de Rijksplanologische Commissie, gedeputeerde staten en de betrokken gemeenteraad.

7.
Onze Minister maakt zijn besluit binnen twee weken na dagtekening daarvan bekend aan gedeputeerde staten. Indien Onze Minister niet heeft beslist binnen de in het zesde lid bedoelde termijn, wordt het besluit van Onze Minister vervangen door een schriftelijke mededeling van dat feit. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing. Voorts zendt Onze Minister een afschrift van zijn besluit of van de in de tweede volzin van dit lid bedoelde mededeling aan hen die bij gedeputeerde staten bedenkingen hebben ingebracht als bedoeld in artikel 27, eerste of tweede lid. Het besluit van Onze Minister of de mededeling, bedoeld in de tweede volzin van dit lid, wordt binnen twee weken na de bekendmaking daarvan met het besluit van gedeputeerde staten en het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

8.
Voor zover het besluit, bedoeld in het zesde lid, strekt tot vervanging, komt het besluit van Onze Minister in de plaats van het besluit van gedeputeerde staten. Onze Minister geeft zo nodig het door hem vervangen gedeelte van het besluit van gedeputeerde staten op de tot het plan behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften aan. Artikel 28, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

9.
Indien het besluit, bedoeld in het zesde lid, ertoe strekt van vervanging af te zien, dan wel de in dat lid bedoelde termijn is verstreken zonder dat een besluit als bedoeld in dat lid is genomen, blijft het besluit van gedeputeerde staten gehandhaafd.

Artikel 30

1.
Indien door gedeputeerde staten of, in een geval als bedoeld in artikel 29, achtste lid, door Onze Minister goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, stelt de gemeenteraad binnen een jaar met ingang van de dag na die, waarop de beroepstermijn bedoeld in artikel 56a, onder b of c, afloopt of, indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, dat verzoek is afgewezen, een nieuw plan vast, waarbij het besluit van gedeputeerde staten, dan wel van Onze Minister in acht wordt genomen.

2.
Gedeputeerde staten kunnen of, in een geval als bedoeld in artikel 29, achtste lid, Onze Minister kan de termijn tot vaststelling van een nieuw plan op verzoek van burgemeester en wethouders met zes maanden verlengen of bij het besluit inzake goedkeuring die termijn door een andere vervangen, dan wel bepalen dat geen nieuw plan behoeft te worden vastgesteld.

Artikel 31

Het bestemmingsplan ligt, nadat de goedkeuring onherroepelijk is geworden, voor een ieder ter inzage ter gemeentesecretarie. Artikel 23, eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 31a

1.
Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van die openbare lichamen, dan wel krachtens wettelijk voorschrift bepalingen in een bestemmingsplan zijn opgenomen die hogere kosten voor de gemeente ten gevolge kunnen hebben en blijkens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting over de verdeling van deze kosten geen overeenstemming kon worden bereikt, kan de gemeenteraad binnen de termijn, bedoeld in artikel 28, eerste lid, gedeputeerde staten verzoeken gelijktijdig met hun besluit omtrent goedkeuring van het vastgestelde plan te beslissen omtrent het opleggen van de verplichting aan die openbare lichamen de hogere kosten, welke redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de gemeente behoren te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd en evenmin krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, geheel of gedeeltelijk aan de gemeente te vergoeden.

2.
Indien ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan de hogere kosten, bedoeld in het eerste lid, in redelijkheid niet waren te voorzien kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van het eerste lid, op een desbetreffend verzoek van de gemeente beslissen nadat het bestemmingsplan in werking is getreden. Burgemeester en wethouders vermelden in hun verzoek uitdrukkelijk waarom over de verdeling van de hogere kosten tussen de gemeente en de desbetreffende openbare lichamen geen overeenstemming kon worden bereikt.

3.
In afwijking van het eerste en het tweede lid beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent een verzoek als bedoeld in die leden, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In een geval als bedoeld in het eerste lid beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat, zodra de desbetreffende bepalingen van het bestemmingsplan in werking zijn getreden.

Artikel 31b
1.

Indien ten behoeve van belangen, uitsluitend of mede behartigd door andere openbare lichamen dan de gemeente, op schriftelijk verzoek van die openbare lichamen onherroepelijk vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 40, dan wel onherroepelijk is beslist de verlening van een bouw- of aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, dan wel ingevolge artikel 46, tweede lid, aan te houden, kunnen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten gedurende vier weken, ingaande daags nadat de vrijstelling, dan wel het besluit tot aanhouding onherroepelijk is geworden, een verzoek doen als bedoeld in artikel 31a. Burgemeester en wethouders kunnen vorenbedoeld verzoek ook tot gedeputeerde staten richten binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn wanneer ingevolge artikel 40 een vrijstelling of ingevolge artikel 41 een vergunning of andere beschikking is verleend.
2.

In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, beslist Onze Minister dan wel beslissen Onze Minister en Onze Minister die het mede aangaat omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, indien het andere openbaar lichaam het Rijk is. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, beslist Onze Minister omtrent het in die volzin bedoelde verzoek, in geval artikel 40 of artikel 41 toepassing heeft gevonden op verzoek van Onze Minister.

Artikel 31c [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 32 [Vervallen per 03-04-2000]

Afdeling 4. Herziening, intrekking en nadere voorschriften

Artikel 33

1.
Een structuurplan en een bestemmingsplan worden, onverminderd het bepaalde bij artikel 37, eerste en vierde lid, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien.

2.
Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de gemeenteraad voor ten hoogste tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

3.
Op de totstandkoming van het besluit tot vrijstelling is artikel 23, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34

1.
Ten aanzien van de herziening van een structuurplan zijn de artikelen 8 en 9 van overeenkomstige toepassing.

2.
Ten aanzien van de herziening van een bestemmingsplan zijn de artikelen 21-31 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 35

De gemeenteraad kan besluiten een bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk in te trekken. De artikelen 23-29 zijn van overeenkomstige toepassing. Intrekking van een bestemmingsplan voor een gebied, dat niet tot een bebouwde kom behoort, is behoudens ingeval ontheffing is verleend ingevolge het bepaalde in artikel 10, derde lid, slechts mogelijk, indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld.

Artikel 36

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent de voorbereiding, de vormgeving en de inrichting van structuurplannen en bestemmingsplannen gegeven.

Hoofdstuk IVA. Regionaal planologisch beleid

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 36a

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.

regionaal openbaar lichaam: een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, s’ Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;
b.

samenwerkingsgebied: het grondgebied van een regionaal openbaar lichaam.

Artikel 36b [Vervallen per 01-07-2005]

Afdeling 2. Regionaal structuurplan

Artikel 36c

1.
Het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam stelt voor het samenwerkingsgebied een regionaal structuurplan vast, waarin de toekomstige ontwikkeling van dat gebied wordt aangegeven. In dat plan worden concrete beleidsbeslissingen opgenomen over de lokatie van projecten of voorzieningen van regionaal belang. Bij de vaststelling van gemeentelijke plannen als bedoeld in Hoofdstuk IV van deze wet en Hoofdstuk IV van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing worden die beslissingen in acht genomen.

2.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, blijft voor het daarbij begrepen gebied artikel 7, tweede lid, buiten toepassing.

Artikel 36d

1.
Op de voorbereiding van een regionaal structuurplan is artikel 8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het ontwerp ter inzage ligt ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft en dat burgemeester en wethouders worden vervangen door het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam.

2.
Binnen acht weken of, indien over het ontwerp een zienswijze naar voren is gebracht, binnen vier maanden na afloop van de termijn voor terinzageligging van het ontwerp, stelt het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam het regionaal structuurplan vast.

Artikel 36e

1.
Het regionaal structuurplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Het plan wordt daartoe zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het besluit tot vaststelling, aan gedeputeerde staten verzonden.

2.
Alvorens het besluit omtrent goedkeuring te nemen horen gedeputeerde staten de provinciale planologische commissie en voorzover het regionaal structuurplan mede een beschermd stads- of dorpsgezicht omvat, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, wegens het belang van het aangewezen beschermde stads- of dorpsgezicht of wegens het belang van bescherming van archeologische vindplaatsen. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan Onze Minister, aan de provinciale planologische commissie en aan genoemde Rijksdienst.

Artikel 36f

De bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, geschiedt door het besluit tezamen met het regionaal structuurplan voor een ieder ter inzage te leggen ter secretarie van het regionaal openbaar lichaam en van de gemeenten op wier gebied het betrekking heeft. De artikelen 3:11, eerste, tweede en derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede artikel 4a, derde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36g

Een regionaal structuurplan wordt, behoudens door gedeputeerde staten voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling en onverminderd het bepaalde bij artikel 36k, ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.

Artikel 36h

Ten aanzien van de herziening van een regionaal structuurplan zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36i

Intrekking van een regionaal structuurplan of van een gedeelte daarvan is slechts mogelijk indien voor dat gebied een ontwerp voor een nieuw regionaal structuurplan ter inzage is gelegd dan wel een nieuw regionaal structuurplan is vastgesteld. Ten aanzien van de intrekking zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36j

Bij of krachtens algemeen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de voorbereiding, de vormgeving en inrichting van regionale structuurplannen.

Artikel 36k
1.

Onze Minister kan na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam verplichten binnen een door hem te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien.
2.

Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met het algemeen bestuur, gedeputeerde staten en de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van regionale planologische maatregelen vordert, aan het algemeen bestuur aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan.
3.

Van zijn besluit, bedoeld in het eerste lid en van aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid, zendt Onze Minister behalve aan het algemeen bestuur afschriften aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen, als bedoeld in het tweede lid op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage. De nederlegging wordt tevoren door de zorg van Onze Minister in de Staatscourant en daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen bekendgemaakt.
4.

Gedeputeerde staten kunnen na overleg met het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, de provinciale planologische commissie gehoord, dat algemeen bestuur verplichten binnen een door hen te bepalen termijn een regionaal structuurplan vast te stellen of te herzien.
5.

Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met het algemeen bestuur, de provinciale planologische commissie gehoord, voor zover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een regionaal structuurplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.
6.

Van hun besluit, bedoeld in het vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid, zenden gedeputeerde staten behalve aan het algemeen bestuur, afschriften aan de provinciale planologische commissie en aan Onze Minister. Van de dag der verzending van de afschriften af liggen aanwijzingen als bedoeld in het vijfde lid ter provinciale griffie, op de secretarie van het desbetreffende regionale openbaar lichaam en van de gemeenten op wier grondgebied het betrekking heeft ter inzage. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt door gedeputeerde staten tevens in de Staatscourant geplaatst.
7.

Het algemeen bestuur is verplicht bij de herziening van het regionaal structuurplan dit plan in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid. Voor zover die aanwijzingen betrekking hebben op een gebied, waarvoor geen regionaal structuurplan is vastgesteld, bestaat een overeenkomstige verplichting zodra het algemeen bestuur tot vaststelling van een regionaal structuurplan overgaat.
8.

Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het regionaal structuurplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.
9.

Indien het algemeen bestuur niet voldoet aan een verplichting, als bedoeld in het eerste of vierde lid, gaat Onze Minister onderscheidenlijk gaan gedeputeerde staten op kosten van het algemeen bestuur over tot het vaststellen of herzien van een regionaal structuurplan. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft het algemeen bestuur tot de vaststelling of herziening bevoegd.
10.

In het geval bedoeld in het negende lid zijn de artikelen 36c tot en met 36f van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat Onze Minister in de plaats treedt onderscheidenlijk gedeputeerde staten in de plaats treden van het algemeen en het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam.
11.

Een regionaal structuurplan dat ingevolge het negende lid is tot stand gekomen of herzien, staat gelijk aan een door het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam vastgesteld regionaal structuurplan.

Afdeling 3. Regionale bemoeienis met gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel 36l

1.
Indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, houden gedeputeerde staten bij hun besluit omtrent goedkeuring van dat bestemmingsplan rekening met het regionaal structuurplan.

2.
Voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, vragen gedeputeerde staten het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies. Binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag bericht het dagelijks bestuur gedeputeerde staten, dat

a.
het regionaal structuurplan zal worden gewijzigd en het bestemmingsplan, vooruitlopend op die wijziging kan worden goedgekeurd, of
b.
aan het bestemmingsplan goedkeuring moet worden onthouden wegens strijd met het regionaal structuurplan.

3.
In een geval, bedoeld in het tweede lid, onder b, stellen gedeputeerde staten de termijn bedoeld in artikel 30, eerste lid, op drie maanden.

Artikel 36m

Voor zover in een gebied, begrepen in een regionaal structuurplan, toepassing wordt gegeven aan artikel 19 of 46, horen gedeputeerde staten tevens het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam alvorens zij besluiten omtrent de verklaring van geen bezwaar.

Afdeling 4. Voorschriften van regionaal gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel 36n

Voor zover een gemeente, waarvan grondgebied begrepen is in een regionaal structuurplan, weigert een bestemmingsplan voor dat gebied in overeenstemming te brengen met dat regionaal structuurplan, ondanks een daartoe strekkend verzoek van het regionaal openbaar lichaam, kan het dagelijks bestuur van dat openbaar lichaam gedeputeerde staten verzoeken toepassing te geven aan artikel 37, met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, haar grondslag vindt in het regionaal structuurplan.

Hoofdstuk V. Voorschriften van hoger gezag inzake gemeentelijke planologische maatregelen

Artikel 37

1.
Onze Minister kan na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voor zover een juiste uitvoering van het Regeringsbeleid de totstandkoming of herziening van planologische maatregelen vordert, de gemeenteraad verplichten, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.

2.
Bij toepassing van het eerste lid kan Onze Minister na overleg met gedeputeerde staten en de gemeenteraad, de Rijksplanologische Commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Hij gaat hiertoe niet eerder over dan vier weken nadat hij de Tweede Kamer der Staten-Generaal van zijn voornemen tot het geven van bedoelde aanwijzingen in kennis heeft gesteld. Het voornemen gaat vergezeld van de door gedeputeerde staten en de gemeenteraad gemaakte opmerkingen. Indien en voor zover bedoelde aanwijzingen niet gebaseerd zijn op een planologische kernbeslissing geeft Onze Minister geen uitvoering aan zijn voornemen, dan na uitdrukkelijke instemming daarmee door de Tweede Kamer. Met het voornemen wordt geacht te zijn ingestemd, indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de inkennisstelling van het voornemen geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.

3.
Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van Onze Minister, als bedoeld in het eerste en tweede lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de Rijksplanologische Commissie, aan gedeputeerde staten en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op door Onze Minister te bepalen plaatsen ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.

4.
Gedeputeerde staten kunnen na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, de gemeenteraad verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien.

5.
Bij toepassing van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de gemeenteraad, de provinciale planologische commissie gehoord, voorzover bovengemeentelijke belangen dat vorderen, aanwijzingen geven omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. Deze aanwijzingen moeten hun grondslag vinden in of redelijkerwijs voortvloeien uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voorzover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord.

6.
Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van besluiten en aanwijzingen van gedeputeerde staten, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, mededeling gedaan door toezending van een afschrift aan de provinciale planologische commissie en aan de inspecteur. Een aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid wordt, tegelijkertijd met de toezending van de afschriften, op het provinciehuis en bij de desbetreffende gemeentesecretarie ter inzage gelegd. Artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, wordt tevens in de Staatscourant geplaatst.

7.
De gemeenteraden zijn verplicht binnen een jaar na dagtekening van een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid, een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en dat in overeenstemming te brengen met aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid.

8.
Een ieder die bedenkingen heeft tegen een besluit als bedoeld in het eerste of vierde lid en aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, kan deze als onderdeel van zijn zienswijze over het ontwerp voor het bestemmingsplan, dat strekt ter uitvoering van dat besluit en die aanwijzingen, naar voren brengen.

Artikel 38

1.
Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na de bekendmaking van een besluit als bedoeld in artikel 37, eerste of vierde lid, en van aanwijzingen als bedoeld in het tweede of vijfde lid, van dat artikel, besluit de gemeenteraad omtrent medewerking aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders maken dit besluit onverwijld bekend.

2.
Indien de gemeenteraad

a.
de termijn genoemd in het eerste lid, voor het besluit omtrent medewerking overschrijdt,
b.
binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, besluit niet mee te werken aan de opgedragen vaststelling of herziening van het bestemmingsplan, of
c.
binnen de termijn van een jaar, genoemd in artikel 37, zevende lid, geen bestemmingsplan of herziening hiervan heeft vastgesteld in overeenstemming met de gegeven aanwijzingen,

kunnen Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten binnen een jaar na afloop van de onder a, b of c bedoelde termijn, met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van de gemeenteraad, op kosten van de gemeente overgaan tot die vaststelling of herziening.

3.
Indien Onze Minister overgaat tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 26, 28, zevende lid, en 31a van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a.
Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders;
b.
Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort.

4.
Indien gedeputeerde staten overgaan tot de vaststelling of herziening, zijn de artikelen 21 tot en met 27, 28, eerste, vierde, vijfde en zevende lid, 30 en 31a, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:

a.
gedeputeerde staten in de plaats treden van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders;
b.
gedeputeerde staten, alvorens te besluiten, de provinciale planologische commissie horen;
c.
Onze Minister in de plaats treedt van gedeputeerde staten;
d.
Onze Minister, alvorens te besluiten, de Rijksplanologische Commissie hoort.

5.
Een planologische maatregel overeenkomstig dit artikel tot stand gekomen, wordt geacht door de gemeenteraad onder goedkeuring van gedeputeerde staten te zijn vastgesteld.

6.
Indien door Onze Minister of gedeputeerde staten niet binnen het jaar bedoeld in het tweede lid, het bestemmingsplan is vastgesteld of herzien, vervalt de desbetreffende aanwijzing.

Hoofdstuk Va. ProjectcoA?A?rdinatie

Afdeling 1. CoA?A?rdinatie van besluitvorming over grote projecten van nationaal belang

Artikel 39

Een planologische kernbeslissing ten behoeve van een groot project van nationaal belang bevat een of meer concrete beleidsbeslissingen. Bij de nadere besluitvorming over zodanige projecten worden die beleidsbeslissingen in acht genomen.

Afdeling 1a. Rijksprojectenprocedure

A?A? 1. Algemeen

Artikel 39a

1.
Bij de wet, in een planologische kernbeslissing of, indien spoedeisende maatschappelijke belangen dit vergen, in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad, kan worden bepaald dat op de besluitvorming omtrent een project of een categorie van projecten van nationaal belang de procedure die is beschreven in de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, dan wel een van die paragrafen van toepassing is. Onder projecten van nationaal belang worden verstaan projecten met een bovenlokale ruimtelijke dimensie of met bovenlokale ruimtelijke effecten. Indien de grondslag wordt gevonden in de wet of een planologische kernbeslissing wordt daarbij aangegeven welke minister optreedt als projectminister. Indien de grondslag is gelegen in een besluit van Onze Ministers wie het aangaat treedt Onze minister op als projectminister tenzij bij dat besluit uitdrukkelijk een andere minister wordt aangewezen.

2.
Indien paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is verklaard, wordt in de wet, de planologische kernbeslissing of het besluit tevens bepaald of het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad of door Onze projectminister.

3.
Een besluit van Onze Ministers wie het aangaat als bedoeld in het eerste lid, geeft een aanduiding van de betekenis en het belang van het betrokken project en bevat een globale beschrijving van de te verwachten gevolgen van het project voor het nationaal ruimtelijk beleid, van de sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de andere bij het project betrokken belangen. Het besluit wordt toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Aan het besluit wordt geen uitvoering gegeven dan nadat de Tweede Kamer daarmee heeft ingestemd. Met het besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, wordt geacht te zijn ingestemd indien de Tweede Kamer binnen vier weken na de toezending van dat besluit geen besluit heeft genomen omtrent de behandeling daarvan.

4.
Voorzover de uitvoering van een project waarop een wet of een besluit van Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, in strijd zou zijn met een planologische kernbeslissing, wordt door Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van het voornemen deze planologische kernbeslissing te herzien.

A?A? 2. Rijksprojectbesluit

Artikel 39b

Onze Ministers wie het aangaat, Onze Minister daaronder begrepen, na overleg in de ministerraad dan wel Onze projectminister stelt een rijksprojectbesluit vast, dat ten minste een beschrijving bevat van:

a.
het betrokken project en de wijze waarop het zal worden uitgevoerd,
b.
de gevolgen van het project voor de bij het project betrokken belangen, en
c.
de wijze waarop de inpassing van het betrokken project zal geschieden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen, die zullen worden getroffen.

Artikel 39c
1.

Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport krachtens artikel 7.2 of artikel 7.4 van de Wet milieubeheer verplicht is, gaat de mededeling, bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, of artikel 7.13, eerste lid, van die wet, vergezeld van een toelichting met betrekking tot de wijze waarop het project past binnen het in planologische kernbeslissingen vastgestelde nationale ruimtelijk beleid. Indien het project strijdig is met het vastgestelde nationale ruimtelijk beleid, dient de mededeling vergezeld te gaan van een uitgebreide motivering waarom afwijking van dit beleid gerechtvaardigd is. Voorts dient de mededeling vergezeld te gaan van een globale beschrijving van de te verwachten sociaal-economische gevolgen van het project en van de gevolgen voor de overige bij het project betrokken belangen.
2.

Onze projectminister draagt ervoor zorg dat bij de publicatie van de beschrijving wordt vermeld binnen welke termijn een ontwerp van het rijksprojectbesluit ter inzage zal worden gelegd. Indien de terinzagelegging niet binnen deze termijn kan geschieden, deelt Onze projectminister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee:
a.

aan beide kamers der Staten-Generaal;
b.

in de Staatscourant.
3.

Indien ten aanzien van het project het maken van een milieueffectrapport niet verplicht is, draagt Onze projectminister ervoor zorg dat in het kader van de voorbereiding van een rijksprojectbesluit een beschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld. Het tweede lid is alsdan niet van toepassing.

Artikel 39d

1.
Op de voorbereiding van het rijksprojectbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2.
Voor zover een ontwerp van een rijksprojectbesluit als bedoeld in het eerste lid zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.

Artikel 39e

Indien paragraaf 3 van deze afdeling op het project van toepassing is, kan desalniettemin in het rijksprojectbesluit worden bepaald dat in de verdere procedure ter realisering van het project van de toepassing van die paragraaf wordt afgezien, indien het nut van de toepassing naar het oordeel van de ministerraad of de projectminister niet opweegt tegen de daaraan verbonden bezwaren.

Artikel 39f

1.
Het rijksprojectbesluit wordt vastgesteld binnen dertien weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

2.
De vaststelling van het rijksprojectbesluit kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

3.
Artikel 39c, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 39g

Het rijksprojectbesluit vervalt van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.

Artikel 39h
1.

Voor het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit geldt het rijksprojectbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Voorzover het rijksprojectbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 21, vierde tot en met zesde lid, niet van toepassing. Het rijksprojectbesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het rijksprojectbesluit in werking is getreden.
2.

Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.
3.

Voorzover het rijksprojectbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het rijksprojectbesluit voor de uitvoering daarvan als vrijstelling, als bedoeld in artikel 19.
4.

Voorzover een bestemmingsplan of een ander besluit voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken en werkzaamheden ter uitvoering van het rijksprojectbesluit in het gebied dat is begrepen in een rijksprojectbesluit.
5.

Voorschriften in een leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing blijven buiten toepassing voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken en voor het gebruik van gronden en opstallen ter uitvoering van een rijksprojectbesluit, voorzover het rijksprojectbesluit en die voorschriften niet met elkaar in overeenstemming zijn.
6.

De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig dat rijksprojectbesluit vast te stellen of te herzien.
7.

Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het rijksprojectbesluit, verleent het gemeentebestuur aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het rijksprojectbesluit.

A?A? 3. Uitvoeringsbesluiten

Artikel 39i

1.
Indien voor de uitvoering van een project een op aanvraag te nemen besluit van een bestuursorgaan is vereist, zendt het bestuursorgaan onverwijld na de ontvangst van de aanvraag een afschrift daarvan aan Onze projectminister.

2.
Met betrekking tot een verzoek om vrijstelling van een geldend bestemmingsplan krachtens artikel 19 is een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in dat artikel niet vereist.

Artikel 39j

1.
Onze projectminister bevordert een gecoA?rdineerde voorbereiding van de besluiten, bedoeld in artikel 39i, eerste lid, en van de ambtshalve met het oog op de uitvoering van het project te nemen besluiten.

2.
Onze projectminister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen die voor het welslagen van de coA?rdinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking.

3.
Indien voor een project of categorie van projecten, bedoeld in artikel 39a, is bepaald dat uitsluitend de procedure van paragraaf 3 van deze afdeling van toepassing is, geeft Onze projectminister bij de gecoA?rdineerde voorbereiding, bedoeld in het eerste lid, aan op welke wijze de inpassing van het betrokken project bevorderd kan worden en, waar deze in redelijkheid niet kan worden verlangd, de compenserende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Artikel 39k

1.
Op de voorbereiding van de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a.
de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze projectminister, die zorg draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending;
b.
Onze projectminister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van die wet;
c.
zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
d.
in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door Onze projectminister te bepalen termijn;
e.
de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze projectminister.

2.
Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een projectbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.

3.
Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het rijksprojectbesluit.

Artikel 39l

1.
Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is een besluit als bedoeld in artikel 39i te nemen, niet of niet tijdig op de aanvraag beslist dan wel een beslissing neemt die naar het oordeel van Onze Minister en van Onze projectminister wijziging behoeft kunnen Onze projectminister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in het eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.

3.
Indien bij de toepassing van het eerste lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door in dat lid bedoelde ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in ’s Rijks kas.

4.
Ten aanzien van de in de in artikel 39i, eerste lid, bedoelde aanvragen is Onze projectminister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.

Artikel 39m

De in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten worden gelijktijdig door Onze projectminister bekendgemaakt.

A?A? 4. Gelijktijdige toepassing paragrafen 2 en 3

Artikel 39n

Indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling gelijktijdig worden toegepast, zijn op de gezamenlijke voorbereiding en bekendmaking van het rijksprojectbesluit en de in artikel 39j, eerste lid, bedoelde besluiten de artikelen 39k en 39m van overeenkomstige toepassing.

A?A? 5. Grondgebruik en grondverwerving

Artikel 39o

1.
Projecten waarop krachtens artikel 39a de paragrafen 2 en 3 dan wel een van die paragrafen van toepassing zijn, worden voor de toepasssing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.

2.
Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is:

a.
kan Onze Minister in afwijking van artikel 2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

1A?A?.
een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;
2A?A?.
bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;

b.
worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet gehoord;
c.
geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat:

1A?A?.
tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
2A?A?.
artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;
3A?A?.
de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.

Artikel 39p

De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het rijksprojectbesluit is vastgesteld.

Artikel 39q

1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.

2.
In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het rijksprojectbesluit onherroepelijk is geworden.

Afdeling 2. Coordinatie van besluitvorming over projecten van bovengemeentelijk belang

Artikel 40

1.
Gedeputeerde staten kunnen burgemeester en wethouders verzoeken ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen. In dat geval is artikel 19 niet van toepassing. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten, onder vermelding van de redenen tot het verzoek, een beschrijving van het betrokken project en geven zij aan welke consequenties het project zal hebben voor het betreffende bestemmingsplan. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het verzoek en de daarbij behorende stukken. Het verzoek geeft aan voor welk gebied het geldt en wordt vanaf het tijdstip van ontvangst voor dit gebied gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21. Bij hun verzoek voegen gedeputeerde staten het desbetreffend verzoek tot vrijstelling voor het betrokken project met daarbij behorende stukken. Zij doen hiervan gelijktijdig mededeling aan provinciale staten en Onze Minister door toezending van een afschrift van hun verzoek. Onze Minister heeft gelijke bevoegdheid. Hij doet gelijktijdig mededeling van zijn verzoek door toezending van een afschrift daarvan aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedeputeerde staten.

2.
Voor zover het verzoek van gedeputeerde staten geen grondslag vindt in of redelijkerwijs voortvloeit uit een streekplan of het provinciaal ruimtelijk beleid, voor zover dit is neergelegd in een besluit van provinciale staten, de provinciale planologische commissie gehoord, stellen gedeputeerde staten vier weken tevoren provinciale staten in kennis van hun voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. Het verzoek kan binnen de in de eerste volzin genoemde termijn worden gedaan

a.
indien door of namens provinciale staten de wens te kennen wordt gegeven dat zij over het voornemen in het openbaar willen beraadslagen en die beraadslagingen binnen die termijn zijn beA?indigd, dan wel
b.
indien binnen die termijn te kennen wordt gegeven dat van beraadslagingen wordt afgezien.

Voor zover het verzoek van Onze Minister geen grondslag vindt in een plan als bedoeld in artikel 2a, achtste lid, dan wel in een aanwijzing als bedoeld in artikel 37, tweede lid, stelt hij de Tweede Kamer vier weken tevoren in kennis van zijn voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid, onder vermelding van de redenen daarvoor. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing.

3.
Zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen zes weken na ontvangst van het verzoek met de bijbehorende aanvraag besluiten burgemeester en wethouders omtrent medewerking aan het verzoek tot het verlenen van vrijstelling.

4.
Indien burgemeester en wethouders besluiten tot medewerking aan het verzoek, is op het te nemen besluit omtrent het verzoek tot verlenen van vrijstelling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging vindt plaats binnen twee weken na dagtekening van het besluit tot medewerking aan het verzoek.

5.
Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens in de Staatscourant. Afschrift van de kennisgeving wordt gezonden aan gedeputeerde staten en de inspecteur. Indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, wordt tevens een afschrift gezonden aan Onze Minister.

6.
Zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.

7.
In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht besluiten burgemeester en wethouders omtrent het verzoek tot het verlenen van vrijstelling binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, van die wet kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister deze termijn op verzoek van burgemeester en wethouders eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

8.
Indien burgemeester en wethouders niet tijdig hebben besloten omtrent medewerking als bedoeld in het derde lid, dan wel hun medewerking weigeren of, indien de termijn voor terinzagelegging wordt overschreden, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van vrijstelling. Het vierde tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

9.
Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het zevende lid genoemde termijn besluiten dan wel bij hun besluit ingevolge het zevende lid geen vrijstelling verlenen, besluiten gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister omtrent het verlenen van de vrijstelling binnen vier weken na afloop van die termijn, dan wel na eerdere kennisgeving van dat besluit. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld de desbetreffende stukken over aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister.

10.
Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit op het verzoek om vrijstelling wordt daarvan mededeling gedaan aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht, aan gedeputeerde staten en de inspecteur en, indien Onze Minister om medewerking heeft verzocht, tevens aan Onze Minister. Indien gedeputeerde staten of Onze Minister hebben besloten tot verlening van vrijstelling, handelen zij overeenkomstig, met dien verstande dat gedeputeerde staten of Onze Minister tevens mededeling doen van het besluit door toezending van een afschrift aan burgemeester en wethouders alsmede aan provinciale staten onderscheidenlijk de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Afschrift van het besluit ligt zo spoedig mogelijk voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage. Het vijfde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40a

Indien met toepassing van artikel 40 besloten wordt tot verlening van vrijstelling, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar te rekenen vanaf de dagtekening van dat besluit het bestemmingsplan dienovereenkomstig vast te stellen of te herzien. Gedeputeerde staten of Onze Minister kunnen deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

Artikel 40b
1.

Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 30, gaan gedeputeerde staten op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. Zolang de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan nog niet heeft plaatsgevonden blijft de gemeenteraad tot de vaststelling of herziening bevoegd. Artikel 38, vierde lid, is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing.
2.

Indien de gemeenteraad niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 40a, gaan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister op kosten van de gemeente tot de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan over. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing. Artikel 38, vierde, onderscheidenlijk derde lid, is van toepassing; het vijfde lid van dat artikel is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41

1.
Voor zover bovengemeentelijke belangen zulks vorderen, een verwezenlijking van een project in de naaste toekomst noodzakelijk is en naar het oordeel van gedeputeerde staten of van Onze Minister de besluitvorming omtrent die verwezenlijking is vastgelopen, kunnen gedeputeerde staten of Onze Minister aan het daartoe bevoegde orgaan van een gemeente, een waterschap, een provincie of enig ander publiekrechtelijk lichaam verzoeken enige andere beschikking dan bedoeld in artikel 40, eerste lid, inzake toestemming ten behoeve van het verwezenlijken van dat project te geven. Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

a.
indien de desbetreffende beschikking bij of krachtens een wet is vereist en Onze Minister het verzoek heeft gedaan, ten aanzien van de betrokken beschikking overigens Onze Minister die de verantwoordelijkheid of de eerste verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van de desbetreffende wet, in de plaats treedt van Onze Minister,
b.
de in artikel 40 voorgeschreven procedure, met inbegrip van de daarbij aangegeven termijnen, in de plaats treedt van de bij de desbetreffende regeling voorgeschreven procedure voor het tot stand brengen van die beschikking,
c.
ten aanzien van de inhoud van de beschikking in acht genomen wordt hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald; bepalingen, die – al dan niet krachtens de wet – bij of krachtens een regeling van een provincie, gemeente of waterschap daaromtrent zijn vastgesteld, kunnen om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten, voor zover het toepassen daarvan een onevenredige belemmering met zich zou brengen voor de verwezenlijking van het project.

2.
Indien ten behoeve van een zelfde project een of meer beschikkingen vereist zijn, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, of in het eerste lid van dit artikel, worden de aanvragen om de betrokken beschikkingen te zamen, overeenkomstig de in artikel 40 voorgeschreven procedure, behandeld.

3.
Het bestuursorgaan dat het verzoek om medewerking aan de verwezenlijking van het betrokken project heeft gedaan, kan, indien dat met het oog op de samenhang tussen de onderscheidene beschikkingen ter verwezenlijking van het project geboden is, en artikel 40, achtste of negende lid, niet wordt toegepast, aan het in eerste aanleg bevoegde orgaan een bindende aanwijzing geven ter zake van de inhoud van een zodanige beschikking. Deze aanwijzing wordt niet gegeven dan na overleg met het betrokken orgaan.

4.
Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid wordt vermeld in de beschikking ter zake waarvan zij wordt gegeven. Een exemplaar ervan wordt gevoegd bij ieder exemplaar van die beschikking.

Artikel 41a [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 41b

Indien, bij de toepassing van artikel 40 of artikel 41, de beslissing omtrent enige bestuursrechtelijke toestemming als in die artikelen bedoeld, wordt genomen door een ander bestuursorgaan dan het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan, zijn de leges, die ingevolge wettelijk voorschrift verschuldigd zijn terzake van die toestemming, verschuldigd aan het bestuursorgaan dat omtrent die toestemming heeft beslist, tenzij de beslissing van dat orgaan niet afwijkt van de beslissing van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan.

Afdeling 3. CoA?rdinatie van besluitvorming over projecten van gemeentelijk belang

Artikel 41c
1.

Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieA?n van gevallen worden aangewezen waarin verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en de bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoA?rdineerd.
2.

Bij de gecoA?rdineerde voorbereiding en bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, wordt de procedure, bedoeld in de artikelen 41d en 41e, toegepast.

Artikel 41d
1.

In de door de gemeenteraad met toepassing van artikel 41c, eerste lid, bepaalde gevallen bevorderen burgemeester en wethouders een gecoA?rdineerde voorbereiding van de krachtens dat lid aangeduide besluiten. Burgemeester en wethouders kunnen andere bestuursorganen verzoeken de medewerking te verlenen, die voor het welslagen van de coA?rdinatie nodig is. Met het oog daarop zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is op een aanvraag voor een dergelijk besluit te beslissen, hen onverwijld een afschrift van die aanvraag.
2.

Ten aanzien van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, derde volzin, zijn burgemeester en wethouders mede bevoegd die in te dienen bij het bevoegde bestuursorgaan.
3.

Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in artikel 41c, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a.

de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens wordt gedaan in de Staatscourant en langs elektronische weg;
b.

burgemeester en wethouders de kennisgevingen, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, voor verschillende onderwerpen kunnen samenvoegen in een kennisgeving die door burgemeester en wethouders wordt gedaan;
c.

de ontwerpbesluiten binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn worden toegezonden aan burgemeester en wethouders die zorg dragen voor de toezending, bedoeld in artikel 3:13 van die wet;
d.

zienswijzen door een ieder naar voren kunnen worden gebracht;
e.

in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door burgemeester en wethouders in overeenstemming met het betrokken bevoegd gezag te bepalen termijn;
f.

de besluiten onverwijld worden toegezonden aan burgemeester en wethouders;
g.

burgemeester en wethouders beslissen over de toepassing van artikel 3:18, tweede lid, van die wet, en
h.

de toezending, bedoeld in artikel 3:44 van die wet, tevens geschiedt aan burgemeester en wethouders.

Artikel 41e

Burgemeester en wethouders maken de vaststelling van de op grond van artikel 41c, eerste lid, gecoA?rdineerde besluiten gelijktijdig bekend. Zij doen mededeling van die besluiten in de Staatscourant en langs elektronische weg.

Hoofdstuk VI. Exploitatieverordeningen

Artikel 42

1.
De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin de voorwaarden worden vastgelegd, waaronder de gemeente medewerking zal verlenen aan de exploitatie van gronden, die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen (exploitatieverordening).

2.
Een exploitatieverordening bevat onder meer voorschriften omtrent:

a.
de gevallen, waarin en de wijze waarop het treffen van voorzieningen voor doeleinden van openbaar nut afhankelijk wordt gesteld van de afstand van grond aan de gemeente;
b.
het aandeel van de kosten van voorzieningen van openbaar nut, dat ten laste wordt gebracht van de gronden, die door deze voorzieningen worden gebaat en de wijze, waarop deze kosten over de genoemde gronden worden omgeslagen.

3.
Gedeputeerde staten kunnen van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieverordening op verzoek vrijstelling verlenen.

Artikel 43 [Vervallen per 03-04-2000]

Hoofdstuk VII. Aanlegvergunningen

Artikel 44

1.
De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

a.
het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;
b.
voor het werk of de werkzaamheid een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

2.
Aan een vergunning mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.

3.
Indien de vergunning betrekking heeft op een werk of werkzaamheid in een gebied dat behoort tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 zenden burgemeester en wethouders terstond na de bekendmaking een afschrift van hun besluit aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

4.
De vergunning treedt in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is verleend.

Artikel 45

1.
Indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming of een voorlopige gebruiksregel, stellen burgemeester en wethouders overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de bestemming is bepaald, in de vergunning een termijn na het verstrijken waarvan het werk of de werkzaamheid moet worden verwijderd of beA?indigd of op andere wijze met het bestemmingsplan in overeenstemming moet worden gebracht. De termijn kan worden verlengd, indien en voor zover de duur van de voorlopige bestemming is verlengd.

2.
Indien de termijn is verstreken is de rechthebbende verplicht binnen twaalf weken na aanzegging van burgemeester en wethouders te zijner keuze het werk of de werkzaamheden te verwijderen of te beA?indigen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan.

Artikel 46

1.
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om aanlegvergunning binnen vier weken na de dag, waarop de aanvraag ontvangen is.

2.
In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit in werking is getreden, een ontwerp-bestemmingsplan of het ontwerp voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

3.
De aanhouding duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 21 is vervallen, de termijn, genoemd in artikel 25, is overschreden, de termijn voor terinzagelegging, genoemd in artikel 26, is overschreden, de termijn, genoemd in artikel 30, is overschreden, dan wel het bestemmingsplan of de herziening daarvan in werking is getreden.

4.
In afwijking van het eerste lid houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om vergunning eveneens aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en de aanvraag van de vergunning een werk of werkzaamheid betreft in een gebied, behorend tot een beschermd stads- of dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988, waarvoor nog geen ter bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan geldt.

5.
De aanhouding, bedoeld in het vierde lid, duurt totdat een ter voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vast te stellen of te herzien bestemmingsplan in werking is getreden.

6.
In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid.

7.
In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan, mits het werk of de werkzaamheid is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vergunning geen bezwaar hebben. Artikel 19a, eerste, vierde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

8.
In afwijking van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders de aanlegvergunning eveneens verlenen indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en het betreft:

a.
een werk of werkzaamheid ten aanzien waarvan artikel 17 wordt toegepast;
b.
een geval als bedoeld in artikel 19, tweede of derde lid.

9.
Op de voorbereiding van het besluit tot vergunningverlening, bedoeld in het achtste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

10.
Onverminderd het zesde en zevende lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het vierde lid, de aanlegvergunning verlenen indien het werk of de werkzaamheid niet strijdt met het in voorbereiding zijnde ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht, alsmede van beschermd landschap, natuurgebied, rijksbufferzone en archeologische vindplaats strekkende bestemmingsplan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

11.
De in het zevende en tiende lid bedoelde verklaringen worden gelijktijdig bekendgemaakt. Artikel 19a, achtste lid, eerste volzin, is alsdan niet van toepassing. Alvorens het besluit omtrent de in het tiende lid bedoelde verklaring te nemen, horen gedeputeerde staten de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen een verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Artikel 47 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 48

Burgemeester en wethouders kunnen een aanlegvergunning intrekken:

a.
indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b.
indien binnen een in de vergunning te bepalen termijn na de dagtekening van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
c.
indien de werkzaamheden langer dan een in de vergunning te bepalen termijn zijn gestaakt.

Hoofdstuk VIII. Financiele bepalingen

Afdeling 1. Schadevergoeding

Artikel 48a
1.

Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk rijksprojectbesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, kent Onze projectminister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2.

Artikel 49 blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.
3.

Onze projectminister kan nadere regels geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.

Artikel 49

1.
Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

a.
de bepalingen van een bestemmingsplan,
b.
het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19,
c.
het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 40, of van een vergunning of andere beschikking ingevolge artikel 41,
d.
de aanhouding van het besluit omtrent het verlenen van een bouw- of aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet dan wel ingevolge artikel 46, tweede lid,
e.
aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, tweede of vijfde lid,
f.
het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 66,

schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kennen burgemeester en wethouders hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.
Een aanvraag om vergoeding van schade als bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c, of f, moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van het bestemmingsplan onderscheidenlijk het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. Ingeval van schade ten gevolge van een aanhouding bedoeld onder d of van een aanwijzing onder e, kan de aanvraag om schadevergoeding eerst worden ingediend na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan, doch niet later dan vijf jaar nadat dat bestemmingsplan onherroepelijk is geworden.

3.
Van de aanvrager heffen burgemeester en wethouders een recht ten bedrage van A?300, welk bedrag bij verordening van de gemeenteraad met ten hoogste twee derde deel kan worden verhoogd of verlaagd. Zij wijzen hem op de verschuldigdheid van het recht en delen hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente dan wel op een aangegeven plaats moet zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort verklaren zij de aanvrager niet ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager in verzuim is geweest. Indien op de aanvraag geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist, storten burgemeester en wethouders het betaalde recht terug.

4.
Het in het derde lid genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 49a

1.
Voor zover schade die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt.

2.
De verzoeker die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, is belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verlening van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.

Afdeling 2. Subsidies

Artikel 50 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 50a

1.
Onze Minister kan ter uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid, subsidies verstrekken ten behoeve van:

a.
de ontwikkeling of herziening van ruimtelijke plannen van provincies, samenwerkingsgebieden als bedoeld in hoofdstuk IVA of gemeenten;
b.
de voorbereiding van projecten of activiteiten die voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang zijn;
c.
de realisering van projecten of activiteiten die voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid van strategisch belang zijn.

2.
Onze Minister kan tevens subsidies verstrekken ten behoeve van activiteiten ter uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, zoals verwoord in een andere planologische kernbeslissing dan genoemd in het eerste lid, indien bij algemene maatregel van bestuur zodanige planologische kernbeslissing alsmede de activiteiten waarvoor een subsidie kan worden verstrekt, zijn aangewezen.

Artikel 50b [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 50c

1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de wijze van verdeling van de subsidiegelden.

2.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot:

a.
de vaststelling van een subsidieplafond, het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld, alsmede de wijze waarop dit bekend wordt gemaakt;
b.
de subsidieverlening;
c.
de gevallen waarin de subsidieverlening wordt geweigerd;
d.
de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
e.
de subsidievaststelling;
f.
het intrekken of het ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen zolang de subsidie niet is vastgesteld;
g.
de betaling van de subsidie;
h.
het verlenen van voorschotten en de betaling daarvan.

Hoofdstuk IX. Planologische organen en adviesraden

Artikel 51

1.
Ten behoeve van overleg over zaken betreffende de ruimtelijke ordening is er een Rijksplanologische Commissie. De commissie heeft voorts tot taak Onze Minister en desgevraagd Onze andere Ministers van advies te dienen over zaken betreffende de ruimtelijke ordening.

2.
De voorzitter van de Commissie wordt door Ons benoemd. Onze bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen Ministers benoemen de leden der commissie. Elke Minister kan zoveel leden benoemen als bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.

3.
Onze Minister voorziet in het secretariaat van de commissie.

4.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur subcommissies instellen en bepalen, in welke gevallen het advies dier subcommissies in de plaats treedt van dat der Rijksplanologische Commissie.

5.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften geven omtrent de taak en de werkwijze van de commissie.

Artikel 52 [Vervallen per 25-02-2005]

Artikel 53

1.
Ten behoeve van het overleg over zaken betreffende de ruimtelijke ordening is er in elke provincie een provinciale planologische commissie. Deze commissie dient voorts het provinciaal bestuur van advies over de uitvoering van de taak, die bij of krachtens deze wet aan dat bestuur is opgedragen.

2.
De voorzitter, de leden en de secretaris der commissie worden door gedeputeerde staten benoemd. De inspecteur is ambtshalve lid van de commissie.

3.
Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de samenstelling der commissies.

4.
Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften geven omtrent de taak en werkwijze der commissie. Zij kunnen bepalen, dat bepaalde bevoegdheden van de provinciale planologische commissie worden uitgeoefend door subcommissies.

Hoofdstuk IXA. Bezwaar en beroep

Artikel 54
1.

Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29, zesde lid.
2.

Een belanghebbende kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen:
a.

een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan;
b.

een besluit inzake goedkeuring van een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of tot wijziging van een bestemmingsplan;
c.

een besluit van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad tot uitwerking of wijziging van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 11, zevende lid;
d.

een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van de herziening of intrekking daarvan;
e.

een besluit van Onze Minister tot vervanging van het besluit van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan of van de herziening of intrekking daarvan;
f.

een besluit omtrent een verzoek tot vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het opnemen van bepalingen in een bestemmingsplan op verzoek of krachtens wettelijke bepaling;
g.

een besluit omtrent een verzoek om vergoeding van hogere kosten ten gevolge van het verlenen van vrijstelling of aanhouding van bouw- of aanlegvergunning op verzoek van een ander openbaar lichaam;
h.

een besluit van gedeputeerde staten omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 33, tweede lid;
i.

een besluit tot vrijstelling als bedoeld in artikel 40;
j.

een beschikking als bedoeld in artikel 41, eerste lid;
k.

een rijksprojectbesluit;
l.

een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, voorzover dat besluit geen grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of in een rijksprojectbesluit;
m.

besluiten als bedoeld in artikel 41c, eerste lid.
3.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op:
a.

de beroepen, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn;
b.

een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen;
c.

een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder l en m, binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift;
d.

op een beroep als bedoeld in het tweede lid, onder k en l, indien gelijktijdig beroep is ingesteld, binnen twaalf maanden na ontvangst van het verweerschrift, met dien verstande dat de Afdeling bestuursrechtspraak in bijzondere omstandigheden deze termijn met ten hoogste drie maanden kan verlengen.
4.

Indien het beroep een bestemmingsplan of een herziening daarvan betreft waarin ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdelen zijn aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, wordt het beroep behandeld vA?A?A?A?r andere ingestelde beroepen als bedoeld in het derde lid.
5.

Indien tegen een beschikking als bedoeld in artikel 41 een beroep anders dan ingevolge het tweede lid, onder j, openstaat, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing.
6.

Indien tegen een rijksprojectbesluit tevens een beroep anders dan overeenkomstig het tweede lid, onder k, kan worden ingesteld, blijven de bepalingen inzake dat beroep buiten toepassing.
7.

Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat besluit berust.

Artikel 55

Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden als A?A?n besluit aangemerkt:
a.

een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 15, tweede lid, 16, 19, eerste, of, in voorkomend geval, tweede lid, 46, zevende of tiende lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft;
b.

een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 29, zevende lid, en een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in 28, tweede lid, voor zover niet vervangen;
c.

een besluit omtrent een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en besluiten omtrent medewerking als bedoeld in artikel 40, derde, achtste en negende lid, en het besluit omtrent die vrijstelling;
d.

een besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 40 en een besluit omtrent een beschikking als bedoeld in artikel 41, in onderlinge samenhang genomen;
e.

de beschikkingen, bedoeld in artikel 41, met betrekking tot de verwezenlijking van eenzelfde project;
f.

de besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid;
g.

indien ten behoeve van een project de paragrafen 2 en 3 van afdeling 1a van hoofdstuk Va gelijktijdig zijn toegepast, de besluiten, bedoeld in artikel 39j, eerste lid, en het rijksprojectbesluit;
h.

de besluiten, bedoeld in artikel 41c, eerste lid, met betrekking tot de verwezenlijking van eenzelfde project.

Artikel 55a [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55b [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55c [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55d [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55e [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55f [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55g [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55h [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55i [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55j [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55k [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55l [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55m [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 55n [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56

1.
Voor de toepassing van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht op een beroep als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d en e, wordt het inbrengen van bedenkingen overeenkomstig artikel 27, eerste of tweede lid, aangemerkt als het naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.
In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld door uitsluitend:

a.
het algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam tegen een besluit van gedeputeerde staten tot onthouding van goedkeuring aan een regionaal structuurplan of een herziening daarvan;
b.
het in eerste aanleg bevoegde gezag tegen een besluit houdende een aanwijzing krachtens artikel 41, vierde lid.

Artikel 56a

In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de beroepstermijn aan:

a.
in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder b, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 11, vijfde lid;
b.
in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder d, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 28, zesde lid of artikel 29, derde lid;
c.
in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder e, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van Onze Minister overeenkomstig artikel 29, zevende lid;
d.
in een geval als bedoeld in artikel 54, tweede lid, onder f, met ingang van de dag van terinzagelegging van het besluit van gedeputeerde staten overeenkomstig artikel 28, zesde lid;
e.
in een geval als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onder b, met ingang van de dag na die waarop de beschikking waarop de aanwijzing betrekking heeft, is gegeven;
f.
voor beroepen tegen een of meer concrete beleidsbeslissingen of een herziening daarvan, in een planologische kernbeslissing die de grondslag vormt voor een rijksprojectbesluit of voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het rijksprojectbesluit of de herziening daarvan dan wel tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing of de herziening daarvan een daarop berustend rijksprojectbesluit onderscheidenlijk een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken;
g.
voor een beroep tegen een rijksprojectbesluit dat de grondslag vormt voor een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, met dien verstande dat indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van het rijksprojectbesluit een daarop berustend besluit als bedoeld in artikel 39j, eerste lid, is bekendgemaakt, de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken; dit onderdeel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in onderdeel f.

Artikel 56b

1.
Indien gedurende de beroepstermijn met betrekking tot een besluit inzake goedkeuring van een bestemmingsplan, de uitwerking of wijziging of de herziening of intrekking daarvan of met betrekking tot een besluit tot uitwerking of wijziging als bedoeld in artikel 11, zevende lid, bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist. Bij toewijzing van het verzoek geeft de voorzitter aan op welke onderdelen van het plan de voorlopige voorziening betrekking heeft.

2.
In geval van samenloop van een aanwijzing ingevolge artikel 37 met een aanwijzing ingevolge artikel 26 van de Luchtvaartwet, artikel 15 van de TracA?A?wet of artikel 7e van de Ontgrondingenwet begint de termijn van een jaar na afloop van de in artikel 38, tweede lid, onder a, b of c, bedoelde termijn voor Onze Minister of voor gedeputeerde staten te lopen met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn voor de aanwijzing krachtens de Luchtvaartwet, de TracA?A?wet of de Ontgrondingenwet afloopt. Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van de aanwijzing ingevolge artikel 37 opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

3.
Indien tegen het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 40 beroep is ingesteld en binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, begint de in artikel 40a, eerste lid, bedoelde termijn te lopen zodra dat verzoek is afgewezen.

Artikel 56c [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56d [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56e [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56f [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56g [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56h [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56i [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56j [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56k [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56l [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56m [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56n [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 56o [Vervallen per 03-04-2000]

Hoofdstuk IXB. Advisering inzake beroepen ruimtelijke ordening

Artikel 57
1.

Onze Minister is gemachtigd namens de Staat tot oprichting over te gaan van een stichting die tot doel heeft de taak te verrichten, bedoeld in artikel 57a.
2.

Wijziging van de statuten van de stichting, dan wel ontbinding van de stichting behoeft de toestemming van Onze Minister. Alvorens te beslissen over de toestemming, hoort Onze Minister de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.

De statuten van de stichting waarborgen dat de stichting haar werkzaamheden onpartijdig en onafhankelijk verricht.

Artikel 57a

De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met de ruimtelijke ordening.

Artikel 57b

De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het vertrouwen daarin.

Artikel 57c

1.
Indien met toepassing van artikel 57 een stichting is opgericht, verstrekt Onze Minister aan de stichting subsidie overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening.

2.
Artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Hoofdstuk X. Dwang- en strafbepalingen

Artikel 58 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 59 [Vervallen per 13-09-2004]

Artikel 60 [Vervallen per 13-09-2004]

Artikel 61 [Vervallen per 13-09-2004]

Artikel 62 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 63

De inspecteur alsmede de door de commissaris van de Koning en de burgemeester aangewezen ambtenaren zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

Artikel 64 [Vervallen per 13-09-2004]

Hoofdstuk XI. Slotbepalingen

Artikel 65

1.
Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2.
De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, mede met betrekking tot de uitvoering van verordeningen betreffende de ruimtelijke ordening.

3.
Onze Minister kan bij ministeriA?A?le regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.

Artikel 66

Op de gezamenlijke voordracht van Onze Minister en van Onze Minister, die het mede aangaat, kunnen Wij bepalen, dat deze wet niet van toepassing is op een in Ons besluit aan te wijzen werk of werkzaamheid ten behoeve van de landsverdediging. Alvorens Ons een voordracht te doen horen Onze Ministers de Rijksplanologische Commissie.

Artikel 67 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 68 [Vervallen per 03-04-2000]

Artikel 69

1.
Onderstaande personen hebben in de hierna genoemde gebieden van zonsopgang tot zonsondergang toegang tot alle terreinen, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is:

1A?A?.
in het gehele Rijk:

de voorzitter en de leden van de Rijksplanologische Commissie en de door Onze Minister aan te wijzen rijksambtenaren;
2A?A?.
in een provincie: de door de commissaris van de Koning aan te wijzen personen;
3A?A?.
in een gemeente:

de burgemeester en de door hem aan te wijzen personen.

2.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschrijven dat ten aanzien van bepaalde plaatsen de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend door bepaalde van de in het eerste lid genoemde personen.

3.
De in het eerste lid bedoelde personen verschaffen zich zo nodig de toegang met behulp van de sterke arm.

Artikel 70

Alle stukken, opgemaakt ter verkrijging van de beschikking door de gemeente over onroerende zaken ten einde uitvoering te kunnen geven aan een bestaand of toekomstig bestemmingsplan, zijn vrij van kosten van legalisatie en van griffiekosten.

Artikel 71

De kosten, voor de gemeente voortvloeiende uit de medewerking aan de uitvoering van deze wet, zijn uitgaven als bedoeld in artikel 193 van de Gemeentewet. Artikel 194 van die wet vindt toepassing.

Artikel 72

De bevoegdheid aan provinciale staten overeenkomstig artikel 145 van de Provinciewet en aan de gemeenteraad overeenkomstig artikel 149 van de Gemeentewet toekomende blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd voor zover de door deze colleges te maken verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

Artikel 73

1.
Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.
Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle MinisteriA?A?le Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 5 juli 1962.

JULIANA.

De Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid,
J. VAN AARTSEN.

De Minister van Justitie,
A. C. W. BEERMAN.

De Minister van Binnenlandse Zaken,
E. H. TOXOPEUS.

De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
J. CALS.

De Minister van FinanciA?A?n,
J. ZIJLSTRA.

De Minister van Defensie,
S. H. VISSER.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
H. A. KORTHALS.

De Minister van Economische Zaken,
J. W. DE POUS.

De Minister van Landbouw en Visserij,
V. G. M. MARIJNEN.

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G. M. J. VELDKAMP.

De Minister van Maatschappelijk Werk,
M. KLOMPA?a??.

Uitgegeven de zevende augustus 1962.

De Minister van Justitie,
A. C. W. BEERMAN.

Zonnecollectoren en zonnepanelen

Groene energie wordt steeds meer toegepast, ook in de woningbouw. Dit betekent dat gebruik wordt gemaakt van natuurlijke energie, via de zon of de wind. Deze groene energie wordt door de energiemaatschappij opgewekt en vervolgens aan u geleverd. U kunt echter ook zelf energie opwekken met behulp van zonnecollectoren of zonnepanelen. Aangezien dit soort energie-opwekkers van buitenaf zichtbaar is, gelden er voor het aanbrengen ervan bepaalde regels opgesteld. Als daaraan wordt voldaan mogen ze bouwvergunningsvrij worden aangebracht op of aan bouwwerken. Anders is een bouwvergunning nodig. In deze folder leest u meer over de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en bouwvergunningplichtig bouwen van zonnecollectoren en zonnepanelen zoals die per 1 januari 2003 gelden.

Zonnecollector en zonnepaneel, het verschil
Met een zonnecollector wekt u warmte op, die via een warm wateropslag meestal gebruikt wordt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Met een zonnepaneel wekt u elektriciteit uit daglicht op voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk. De genoemde voorwaarden gelden voor zowel zonnecollectoren als zonnepanelen.

Geen bouwvergunning nodig
Om een zonnecollector of zonnepaneel bouwvergunningsvrij aan te brengen moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
1. de zonnecollector of het zonnepaneel moet op of aan een bouwwerk worden geplaatst;
2. de zonnecollector of het zonnepaneel moet bedoeld zijn voor de energie- of warmtevoorziening van het bouwwerk waarop of waaraan het is geplaatst. Het is ook toegestaan om een collector of een paneel op of aan een bouwwerk te plaatsen ten dienste van een ander op het perceel aanwezig bouwwerk. Zo is een zonnepaneel op een garage (onder voorwaarden) ook bouwvergunningsvrij als het stroom opwekt voor de woning op hetzelfde perceel;
3. de collector of het panneel moet een geheel vormen met de installatie voor het opslaan van het water respectievelijk het opwekken van elektriciteit. Als dat niet het geval is, dan moet de installatie in het betreffende bouwwerk worden geplaatst;
4. komt de zonnecollector of het zonnepaneel op een schuin dak, dan geldt dat:
A?a??A? de collector of het paneel niet mag uitsteken en dus aan alle kanten binnen het vlak van het dak moet blijven,
A?a??A? de collector of het paneel in of direct op het dakvlak moet worden geplaatst,
A?a??A? de hellinghoek van de collector of het pannel hetzelfde moet zijn als die van het dakvlak waarop het staat;
5. komt de zonnecollector of het zonnepaneel op een plat dak, dan geldt dat:
A?a??A? de collector of het paneel ten minste net zo ver verwijderd moet blijven van de dakrand als die hoog is. Is het hoogste punt van de collector bijvoorbeeld 50 centimeter, dan moet de afstand tot de dakrand(en) ook minimaal 50 centimeter zijn;
A?a??A? de hellingshoek van de collector of het paneel niet meer dan 35A? mag zijn.
6. de zonnecollector of het zonnepaneel mag niet geplaatst worden bij een monument of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden (1 tot en met 6) mag u de zonnecollector of het zonnepaneel zonder bouwvergunning plaatsen. Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets wilt veranderen aan een zonnecollector of A?a??a??paneel. Overigens mag u meerdere zonnecollectoren of zonnepanelen bouwvergunningsvrij plaatsen, zolang er maar wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

Wel een vergunning nodig
Als u een zonnecollector of zonnepaneel wilt plaatsen en u voldoet hierbij niet aan de eerste of de tweede voorwaarde moet u een reguliere- bouwvergunning aanvragen. Als u wel aan de eerste twee voorwaarden voldoet, maar niet aan A?A?n van de andere voorwaarden, dan moet u een lichte-bouwvergunning aanvragen.

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.

Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.

Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de verschillende bestemmingen horen.

Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken, voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan redelijke eisen van welstand toetsen of het bouwplan voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een regulier-vergunningplichtig bouwwerk is het advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de directe omgeving past.

Om u als burger vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te geven moet de gemeente in een welstandsnota voor gebieden die zij welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd zijn dat er bij u geen enkel misverstand over kan ontstaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen is echter een zogenoemde excessenregeling ingesteld, want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu en het gebruikscomfort. Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning of vergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zA?A?lf de verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier meer over vertellen.

Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als u er met de buren niet uitkomt. Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen, ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen wordt u het dan eens A?wellicht na een kleine aanpassing van uw plan.

Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het uitvoeren van een kozijn- of gevelwijziging, dan zal dit in de meeste gevallen een lichte-bouwvergunning zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet (www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier staat welke stukken u mee moet leveren.

Stap 2 Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw plan, dan moet u dat
binnen vier weken van de gemeente horen. De gemeente zal aangeven binnen
welke termijn u de ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn
hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw aanvraag op
dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag
compleet is.

Stap 3 De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke kwaliteit
volgens de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en de
welstandsvoorschriften. Het plan wordt op zijn constructieve veiligheid getoetst
volgens de technische minimumeisen uit het Bouwbesluit.

Stap 4 De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u wel of niet een lichte-
bouwvergunning krijgt.

Voor de reguliere-bouwvergunning gelden uitgebreidere toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken (deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).

Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning, uitritvergunning, sloopvergunning of kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met uw gemeente.

Schotel antennes

Voor het goed kunnen ontvangen van TV- of radiozenders SchotelA?antennes nodig. In de meeste gevallen is het toegestaan om een antenne of een schotelantenne zonder bouwvergunning te plaatsen. Om de veiligheid van uzelf en van omwonenden te waarborgen en omdat rekening gehouden moet worden met inpassing in de omgeving worden hieraan wel enkele voorwaarden gesteld. In deze folder leest u meer over de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en bouwvergunningplichtig plaatsen van (schotel)antennes zoals die per 1 januari 2003 gelden.

Welke antennes worden onderscheiden?
In de regelgeving rondom het bouwvergunningsvrij plaatsen van antennes wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal soorten antennes:
– Antennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie. Dit betreft de zogenaamde GSM-antennes.
– C2000 antennes. Dit zijn antennes ten behoeve van de communicatie tussen hulpdiensten, zoals politie, brandweer en ambulances.
– Overige antennes. Onder deze categorie vallen schotelantennes en andere antennes voor de ontvangst van radio of TV-signalen en sprietantennes, zoals bijvoorbeeld voor 27 MC zendinstallaties (bakkies).

In deze folder wordt met name ingegaan op de laatste categorie antennes. Daar waar in het vervolg van deze folder gesproken wordt over antennes, wordt deze categorie antennes bedoeld.

Voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u een antenne wilt plaatsen. In de regel geldt dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen), zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning, een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een antenne meestal niet bouwvergunningsvrij op het voorerf (voor of aan de voorgevel) worden geplaatst.

Geen bouwvergunning nodig
Als u bouwvergunningsvrij een antenne wilt plaatsen moet dit aan de volgende voorwaarden voldoen:
1. de antenne moet achter het voorerf worden geplaatst. Antennes kunnen dus niet bouwvergunningsvrij in de voortuin of aan de voorgevel worden geplaatst. Plaatsing op een inpandig balkon aan de voorkant is ook niet zonder bouwvergunning toegestaan;
2. als u een schotelantenne wilt plaatsen dan moet deze antenne:
a. een doorsnede hebben die minder is dan 2 meter;
b. inclusief de drager, lager zijn dan 3 meter vanaf de voet gemeten (zie ook Bepaling van de hoogte van een antenne verderop in deze brochure);
3. gaat het om een ander soort antenne dan moet de hoogte (inclusief een eventuele antennedrager) minder zijn dan 5 meter (zie ook Bepaling van de hoogte van een antenne verderop in deze brochure);
4. de antenne mag niet geplaatst worden bij een monument of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden mag u de antenne zonder bouwvergunning plaatsen. Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets wilt veranderen aan uw bestaande antenne.

Bepaling van de hoogte van een antenne
– U moet de hoogte van een antenne meten vanaf de voet van de antenne.
– Als de antenne op een antennedrager (bijvoorbeeld een mast waaraan de antenne is bevestigd) staat, dan is de hoogte de gezamenlijke hoogte van drager en antenne. Deze wordt gemeten vanaf de voet van de antennedrager.
– Als de antenne of antenne met drager aan de gevel is bevestigd, dan wordt de (gezamenlijke) hoogte gemeten vanaf het punt waar de antenne boven het dak komt.

Wel een vergunning nodig
Als uw plannen voor het plaatsen van een antenne niet voldoen aan alle hierboven genoemde voorwaarden, moet u een lichte-bouwvergunning aanvragen.

Wanneer zijn GSM-antennes en C2000 installaties bouwvergunningsvrij?
C2000 installaties worden in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken gebouwd en mogen altijd zonder bouwvergunning worden gebouwd. De reden hiervoor is dat deze antennes specifiek bedoeld zijn voor de communicatie tussen hulpdiensten en bijvoorbeeld bij de rampenbestrijding onmisbaar zijn.
GSM-antennes mogen alleen onder bepaalde voorwaarden bouwvergunningsvrij worden gebouwd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kleine GSM-antennes (kleiner dan een halve meter) en grotere antennes (tot 5 meter hoog). Met name bij de grotere antennes zijn de voorwaarden zodanig geformuleerd dat deze antennes vanaf de openbare weg zo min mogelijk zichtbaar zijn. Meer informatie kunt u vinden op www.antennebureau.nl of opvragen via 0900-ANTENNE (0900-2683663).

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.
Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.

Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de verschillende bestemmingen horen.

Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken, voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan A?a??E?redelijke eisen van welstand toetsen of het bouwplan voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een regulier vergunningplichtig bouwwerk is het advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de directe omgeving past.

Om u als burger vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te geven moet de gemeente in een welstandsnota voor gebieden die zij welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd zijn dat er bij u geen enkel misverstand over kan ontstaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen is echter een zogenoemde excessenregeling ingesteld, want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu en het gebruikscomfort. Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning of vergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zef de verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier meer over vertellen.

Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als u er met de buren niet uitkomt. Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen, ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen wordt u het dan eens wellicht na een kleine aanpassing van uw plan.

Wat betekent een lichte bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het plaatsen van een antenne, dan zal dit in de meeste gevallen een lichte-bouwvergunning zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet (www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier staat welke stukken u mee moet leveren.

Stap 2 Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw plan, dan moet u dat
binnen vier weken van de gemeente horen. De gemeente zal aangeven binnen
welke termijn u de ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn
hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw aanvraag op
dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag
compleet is.

Stap 3 De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke kwaliteit
volgens de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en de
welstandsvoorschriften. Het plan wordt op zijn constructieve veiligheid getoetst
volgens de technische minimumeisen uit het Bouwbesluit.

Stap 4 De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u wel of niet een lichte-
bouwvergunning krijgt.

Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning, uitritvergunning, sloopvergunning of kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met uw gemeente.

Kozijn en gevelwijzigingen

U maakt van twee ramen A?A?n groot raam, vervangt de openslaande
deuren door een schuifpui of u plaatst een heel ander
model buitendeur.Kozijn en gevelwijzigingen Allemaal zaken waardoor uw raam- of deurkozijn
zichtbaar verandert en waardoor wellicht zelfs de
constructie van de buitengevel wijzigt. Uw gevel wordt ook
zichtbaar anders als u de huidige gevelbekleding vervangt,
bijvoorbeeld met kunststof gevelplaten of houten panelen.
Het zijn allemaal aanpassingen die u niet zonder meer kunt
plegen. U zult zich namelijk aan bepaalde regels moeten houden,
onder meer om uw veiligheid en die van omwonenden te
waarborgen. Maar ook omdat uw wijziging moet passen in de
omgeving en uw buren er geen last van mogen hebben.
In sommige gevallen is daar een bouwvergunning voor nodig,
in andere gevallen niet. In deze brochure leest u meer over de
voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en bouwvergunningplichtig
wijzigen van kozijnen en gevels zoals die per 1 januari
2003 gelden.
Gewoon onderhoud bouwvergunningsvrij
Als we hier spreken over kozijn- of gevelwijzigingen dan hebben
we het niet over het reguliere onderhoud. Bij dit laatste moet u
denken aan het vervangen van de dakpannen, goten of kozijnen,
of het schilderen van kozijnen, deuren e.d. Dit valt allemaal onder
het normale onderhoudswerk dat bouwvergunningsvrij kan worden
uitgevoerd, mits u dezelfde afmetingen en indeling aanhoudt.
Indien daarbij echter het uiterlijk verandert dan kan daarvoor een
bouwvergunning nodig zijn. Het uiterlijk verandert als er voor een
andere detaillering profilering of vormgeving wordt gekozen.
Voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u uw kozijn of gevel wilt veranderen. In de
regel geldt dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of
groen), zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de
woning, een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan
bouwwerken die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom
mogen kozijn- en gevelwijzigingen aan de voor- en zijkant van de
woning meestal niet bouwvergunningsvrij worden uitgevoerd.
Geen bouwvergunning nodig
Om kozijn- en gevelwijzigingen bouwvergunningsvrij uit te mogen
voeren moet aan de volgende voorwaarden voldaan worden:
1. de kozijn- of gevelwijziging wordt aan een bestaande woning,
een bestaand woongebouw of een bijbehorend bijgebouw
aangebracht. Het is dus niet toegestaan om bijvoorbeeld een
woning te bouwen en vervolgens tijdens de bouw bouwvergunningsvrij
de kozijnen te wijzigen.
2. u brengt de verandering aan in een achtergevel of in een niet
naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel. Deze
voorwaarde geldt niet voor bijgebouwen.
3. de ingreep leidt niet tot een wijziging van een bestaande
gevelopening. U mag de bestaande gevelopening dus niet
groter of kleiner maken, of een nieuwe gevelopening maken.
De constructie van de buitengevel blijft ongewijzigd.
4. de kozijn- of gevelwijziging vindt niet plaats aan een monument
of in een door het Rijk aangewezen beschermd stadsof
dorps gezicht.
Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden (1 t/m
4) mag u de kozijn- of gevelwijziging zonder bouwvergunning uitvoeren.
Wel een bouwvergunning nodig
Als uw bouwplan niet voldoet aan de eerste voorwaarde moet u
een reguliere-bouwvergunning aanvragen. Als u de kozijn- of
Kozijn- en gevelwijzigingen
Wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?
In dit geval mag u deze kozijn- of gevelwijziging bouwvergunningsvrij uitvoeren.
gevelwijziging wilt uitvoeren in een bestaand gebouw, maar u
voldoet niet aan A?A?A?A?n van de andere voorwaarden, dan moet u een
lichte-bouwvergunning aanvragen.
Ga alvast zelf na of u een vergunning nodig heeft
Wilt u een kozijn wijzigen of uw gevel veranderen? Doorloop
de stappen uit het schema en ontdek of en zo ja, welke bouwvergunning
u nodig heeft.
Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij
bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De
regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening
en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in
dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder
meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht
zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter
wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan
deze regels voldoet.
Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de
provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk
aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat
nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken
is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.
Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de
ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger.
Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft,
bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren.
Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven.
Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die
bij de verschillende bestemmingen horen. Uw bouwplan moet in
principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw
gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij
is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan
met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde
na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken voor een
doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan
moet u hier, ook al betreft het een in principe bouwvergunningsvrij
bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor
aanvragen.

De gemeente mag een licht-bouwvergunningplichtig bouwplan
zelf aan redelijke eisen van welstand toetsten of het bouwplan
voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester.
Bij een regulier-bouwvergunningplichtig bouwwerk is het advies
van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht.
Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm
en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de
directe omgeving past. Om u als burger vooraf zoveel mogelijk
duidelijkheid te geven, moet de gemeente in een welstandsnota
zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal
bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen,
kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen)
moeten de welstandseisen zo gedetailleerd en duidelijk zijn, dat
er bij u geen enkel misverstand over kan bestaan hoe u moet
bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte
gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere
gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli
2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling
nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.
Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief
getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen
is echter een zogenoemde excessenregeling ingesteld,
want men kan bouwsels maken die n ernstige mate in strijd zijn
met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente
zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan
verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het
feit dat het bouwvergunningsvrij is.
Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in
het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op
technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant
voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het
milieu en het gebruikscomfort.
Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning
of bouwvergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet
altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de
verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur
kan u hier meer over vertellen.
Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken
met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is
geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de
gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast
als u er met de buren niet uitkomt.
Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen,
ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen
wordt u het dan eens – wellicht na een kleine aanpassing van
uw plan.
Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het uitvoeren van
een kozijn- of gevelwijziging, dan zal dit in de meeste gevallen
een lichte-bouwvergunning zijn. Bij een aanvraag voor een lichtebouwvergunning
wordt de volgende procedure doorlopen:
Stap 1 – U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard
formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag
uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet
(www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier
staat welke stukken u mee moet leveren.
Stap 2 – Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw
plan, dan moet u dat binnen vier weken van de gemeente horen.
De gemeente zal aangeven binnen welke termijn u de ontbrekende
stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn hiervoor
is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw
aanvraag op dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van
uitgaan dat uw aanvraag compleet is.
Stap 3 – De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn
ruimtelijke kwaliteit volgens de voorschriften van het bestemmingsplan
en de stedenbouwkundige voorschriften van de
bouwverordening en de welstandsvoorschriften. Het plan wordt
voorts op constructieve veiligheid getoetst volgens de technische
minimumeisen uit het Bouwbesluit.
Stap 4 – De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u
wel of niet een lichte-bouwvergunning krijgt.
Voor de reguliere-bouwvergunningsprocedure gelden uitgebreidere
toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken
(deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).
Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij het (ver)bouwen ook te
maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen
bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning,
een uitritvergunning, een sloopvergunning of kapvergunning.
Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen
met uw gemeente.

Erf en perceelafscheidingen

Wilt u geen inkijk en graag vrij zitten in uw tuin of vindt u dat uw terrein duidelijk moet worden afgebakend, dan heeft u het recht om uw erf af te sluiten, bijvoorbeeld met een schutting of tuinmuur. Dit zijn erf en perceelafscheidingen. Daarmee maakt u duidelijk zichtbaar waar de grens van uw perceel ligt. Soms kunt u zo’n afscheiding zonder verdere plichtplegingen neerzetten, maar u moet wel altijd eerst met uw buren overleggen. Met name als zo’n bouwwerk direct op de erfgrens wordt gezet. Verder gelden voor het bouwvergunningsvrij plaatsen van zo’n afscheiding bepaalde voorwaarden. Als u daar niet aan voldoet, dan moet u eerst een lichte bouwvergunning aanvragen. In deze folder leest u meer over de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en bouwvergunningplichtig plaatsen van erf- en perceelafscheidingen zoals die per 1 januari 2003 gelden.

Soorten erf- en perceelafscheidingen
Erf- en perceelafscheidingen zoals tuinmuren en schuttingen van beton of hout, maar ook vlechtschermen en andere kant- en klare afscheidingen, zijn bouwwerken die bouwvergunningplichtig kunnen zijn. In veel gevallen zult u deze afscheidingen echter bouwvergunningsvrij mogen plaatsen.

Als u een heg of een rij coniferen als erfafscheiding wilt planten heeft u hiervoor nooit een bouwvergunning nodig. Maar u moet natuurlijk ook in die gevallen wel eerst met uw buren overleggen over plaats van de afscheiding.

Voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u een schutting of tuinmuur wilt plaatsen. In de regel geldt dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen), zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning, een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een schutting of tuinmuur aan de voor- of zijkant van de woning meestal niet bouwvergunningsvrij worden gebouwd.

Geen bouwvergunning nodig
Op eigen erf of perceel, op of tegen de grens van het naburig erf of perceel, mag u vrijwel altijd bouwvergunningsvrij een scheidsmuur of andersoortige afscheiding plaatsen die lager is dan 1 meter. Of het nu aan de voor-, zij- of achterkant is. Alleen voor monumenten en door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten geldt hier een uitzondering.

Ook als de afscheiding hoger is dan 1 meter maar niet hoger dan 2 meter kunt u deze bouwvergunningsvrij plaatsen. De afscheiding moet dan wel aan de volgende voorwaarden voldoen:
1. u bouwt op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat;
2. de afscheiding staat meer dan 1 meter achter de voorgevelrooilijn (= de lijn die, evenwijdig aan de weg, uw voorgevel raakt. Deze is vastgelegd in het bestemmingsplan of de bouwverordening van uw gemeente);
3. de afscheiding staat op meer dan 1 meter afstand van de weg of het openbaar groen;
4. de afscheiding mag niet gebouwd worden bij een monument of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Voor de voorkant (voor de voorgevelrooilijn) gelden aparte maatstaven. De afscheiding mag tot 1 meter hoogte bouwvergunningsvrij worden geplaatst. Wilt u voor de voorgevelrooilijn en zelfs tot 1 meter achter die lijn een afscheiding plaatsen die hoger is dan 1 meter, dan moet u hiervoor een bouwvergunning aanvragen. Bij een hoekwoning wordt ook de zijgevel die gericht is op de weg gezien als voorgevelrooilijn.

Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden mag u de erf- of perceelafscheiding zonder bouwvergunning plaatsen. Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets wilt veranderen aan een erf- of perceelafscheiding.

Wel een bouwvergunning nodig
Als u een schutting wilt bouwen die hoger is dan 2 meter moet u altijd een lichte-bouwvergunning aanvragen. Daarnaast moet u ook een lichte-bouwvergunning aanvragen als de schutting die u wilt plaatsen lager is dan 2 meter maar niet voldoet aan de overige genoemde voorwaarden.

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.

Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.

Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan maakt de gemeente regels vast voor de ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de verschillende bestemmingen horen.

Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken, voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan A?a??E?redelijke eisen van welstand toetsen of het bouwplan voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een regulier vergunningplichtig bouwwerk is het advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de directe omgeving past.

Om u als burger vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te geven moet de gemeente in een welstandsnota voor gebieden die zij welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd zijn dat er bij u geen enkel misverstand over kan ontstaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen is echter een zogenoemde excessen regelingingesteld, want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu en het gebruikscomfort.

Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning of vergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier meer over vertellen.

Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als u er met de buren niet uitkomt.

Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen, ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen wordt u het dan eens A?a??a?? wellicht na een kleine aanpassing van uw plan.

Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard formulier volgens
standaard indieningsvereisten. Vraag uw gemeente hiernaar of haal het formulier van
internet (www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier staat welke
stukken u mee moet leveren.

Stap 2 Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw plan, dan moet u dat
binnen vier weken van de gemeente horen. De gemeente zal aangeven binnen
welke termijn u de ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn
hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw aanvraag op
dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag
compleet is.

Stap 3 De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke kwaliteit
volgens de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en de
welstandsvoorschriften. Het plan wordt op zijn constructieve veiligheid getoetst
volgens de technische minimumeisen uit het Bouwbesluit.

Stap 4 De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u wel of niet een lichte-
bouwvergunning krijgt.

Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning,een uitritvergunning, sloopvergunning of kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met uw gemeente.

Dakramen

Een dakraam kan uw zolder een stuk aangenamer maken door de extra
lichtinval. Het plaatsen van zo’n dakraam kan echter niet zomaar. U zult
zich namelijk aan bepaalde regels moeten houden, onder meer om uw
veiligheid en die van omwonenden te waarborgen. Daarnaast moet het
dakraam passen in de omgeving en mogen de buren er geen last van
hebben. In sommige gevallen is daarom een bouwvergunning nodig. In deze
brochure leest u meer over de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en
bouwvergunningplichtig plaatsen van dakramen zoals die per 1
januari 2003 gelden.

Geen bouwvergunning nodig
Het plaatsen van een dakraam is bouwvergunningsvrij als het aan de volgende voorwaarden voldoet:
1. het dakraam wordt geplaatst in een bestaand gebouw. Als u tijdens de bouw van uw woning besluit toch nog een dakraam toe te voegen, dan kan dat dus niet bouwvergunningsvrij.
2. de onderkant van het dakraam ligt ten minste 0,5 meter boven de dakvoet (= het laagste punt van een schuin dak)
3. de bovenkant van het dakraam ligt ten minste 0,5 meter onder de daknok (= het hoogste punt van een schuin dak).
4. de zijkanten van het dakraam liggen meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak.
5. het dakraam mag niet gebouwd worden in een monument of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden (1 tot en met 5) mag u een dakraam zonder bouwvergunning plaatsen. Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets wilt veranderen aan een bestaand dakraam.

Wel een bouwvergunning nodig
Als uw bouwplan niet voldoet aan de eerste voorwaarde dan moet u een reguliere-bouwvergunning aanvragen. Als u het dakraam wilt plaatsen in een bestaand gebouw, maar aan A?A?n van de andere voorwaarden niet wordt voldaan, dan moet u een lichte-bouwvergunning aanvragen.

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.

Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.

Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de verschillende bestemmingen horen.

Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken, voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan moet u hier, ook al betereft het een in principe bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan A?a??E?redelijke eisen van welstand toetsen of het bouwplan voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een regulier vergunningplichtig bouwwerk is het advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de directe omgeving past.

Om u als burger vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te geven moet de gemeente in een welstandsnota voor gebieden die zij welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd zijn dat er bij u geen enkel misverstand over kan ontstaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen is echter een zogenoemde excessenregeling ingesteld, want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu en het gebruikscomfort.

Of u nu volgens een gewone bouwvergunning, een lichte bouwvergunning of vergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier meer over vertellen.

Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als u er met de buren niet uitkomt.

Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen, ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen wordt u het dan eens, wellicht na een kleine aanpassing van uw plan.

Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het plaatsen van een dakraam, dan zal dit in de meeste gevallen een lichte-bouwvergunning zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet (www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier staat welke stukken u mee moet leveren.

Stap 2 Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw plan, dan moet u dat binnen vier weken van de gemeente horen. De gemeente zal aangeven binnen welke termijn u de ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw aanvraag op dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag compleet is.

Stap 3 De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke kwaliteit volgens de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en de welstandsvoorschriften. Het plan wordt op zijn constructieve veiligheid getoetst volgens de technische minimumeisen uit het Bouwbesluit.

Stap 4 De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u wel of niet een lichte- bouwvergunning krijgt.

Voor de reguliere-bouwvergunning gelden uitgebreidere toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken (deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).

Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning, uitritvergunning, sloopvergunning of kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met uw gemeente.

Dakkapellen

Een dakkapel geeft uw zolder licht en ruimte en schept daarmee mogelijkheden voor een extra kamer. Het plaatsen vanA?A?dakkapellen kan echter niet zomaar.
U zult zich namelijk aan bepaalde regels moeten houden, onder meer om uw veiligheid en die van omwonenden te waarborgen. Maar ook omdat deA?dakkapellen moet passen in de omgeving en uw buren er geen last van mogen
hebben.

In sommige gevallen is daar een bouwvergunning voor
nodig, in andere gevallen niet.

De voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u deA?dakkapellen wilt plaatsen. In de regel geldt
dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen),
zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning
een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken
die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een
dakkapel aan de voorkant en zijkant van de woning meestal niet
bouwvergunningsvrij worden gebouwd.
Geen vergunning nodig
Voor het bouwvergunningsvrij mogen plaatsen van dakkapellen
gelden de volgende voorwaarden:

1. deA?

dakkapellen

moeten op een bestaand gebouw worden geplaatst.
Als u tijdens de bouw van uw woning besluit toch ook nog een
dakkapel toe te voegen, dan kan dat dus niet bouwvergunningsvrij.

2. deA?dakkapellen worden op het achterdakvlak of op een zijdakvlak
gebouwd. Dit zijdakvlak mag echter niet naar de weg of het
openbaar groen gekeerd zijn.

3. de afstand tot de voorgevel van het gebouw is meer dan
1 meter.

4. deA?dakkapellen hebben een plat dak.

5. de zijwanden van de dakkapel zijn ondoorzichtig.

6. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel,
niet hoger dan 1,5 meter.

7. de onderkant van deA?dakkapellen liggen meer dan 0,5 meter,
maar minder dan 1 meter boven de dakvoet1.

8. de bovenkant van deA?dakkapellen liggen meer dan 0,5 meter
onder de daknok2.

9. de zijkanten liggen meer dan 0,5 meter van de zijkanten
van het dakvlak.3

10. de dakkapel mag niet gebouwd worden op een tijdelijke woning
of woongebouw, zoals een woonkeet, of op een woonwagen.
De dakkapel mag ook niet op een vakantiehuisje of
een andere woning of woongebouw, dat niet permanent mag
worden bewoond, bouwvergunningsvrij worden geplaatst.

11. de dakkapel mag niet gebouwd worden op een monument
of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of
dorpsgezicht.
Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden
(1 t/m 11) mag u de dakkapel zonder bouwvergunning plaatsen.
Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets
wilt veranderen aan een bestaande dakkapel.

Dakkapellen
Wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?

1 Dakvoet: het laagste punt van een schuin dak.
2 Daknok: het hoogste punt van een schuin dak.
3 Bij rijtjeshuizen en twee-onder-een-kap woningen geldt de grenslijn tussen
de woningen als zijkant van het dakvlak.

In dit geval mag u deze dakkapel bouwvergunningsvrij plaatsen. Let op: zoals u
ziet worden de maten verticaal gemeten (en dus niet langs het dakvlak)!
Wel een bouwvergunning nodig. Als uw bouwplan niet voldoet aan de eerste voorwaarde danmoet u een reguliere-bouwvergunning aanvragen. Als u de
dakkapel wilt bouwen op een bestaand gebouw, maar aan een
van de andere voorwaarden niet wordt voldaan, dan moet u een
lichte-bouwvergunning aanvragen.

Ga alvast zelf na of u een bouwvergunning nodig heeft
Wilt u een dakkapel plaatsen? Doorloop de stappen uit het
schema en ontdek het en zo ja, welke bouwvergunning u nodig
heeft.
Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij
bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De
regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening
en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen
zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking
tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en
het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden
echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen
dat u aan deze regels voldoet.
Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de
provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk
aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat
nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken
is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.
Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de
ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger.
Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld
woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren.
Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven.
Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de
verschillende bestemmingen horen.
Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan
van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat
bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit
het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer
u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan
gebruiken voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan
niet is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe
wordt dedakkapelgebouwd opeen bestaandgebouw?

Wordt de dakkapelgebouwd op een Rijks,provinciaal of gemeentelijkmonument of in een Rijksbeschermd stads- ofdorpsgezicht?

Wordt de dakkapelgebouwd op een niet voorpermanente bewoning
bestemde woning, eentijdelijk bouwwerk of een woonwagen?
Wordt dedakkapelgebouwdop eenachterdakvlak?Is de afstandvan dedakkapel tot de voorgevel meer dan 1 meter?

Wordt dedakkapelgebouwdop eenzijdakvlak?
Is datzijdakvlaknaar deweg of hetopenbaar
groen gekeerd?

bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan
voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan
redelijke eisen van welstand toetsten of het bouwplan voorleggen
aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een
regulier bouwvergunningplichtig bouwwerk is het advies van de
welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht.
Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en
het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de
directe omgeving past. Om u als burger vooraf zoveel mogelijk
duidelijkheid te geven, moet de gemeente in een welstandsnota
zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal
bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen,
kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen)
moeten de welstandseisen zo gedetailleerd en duidelijk zijn, dat
er bij u geen enkel misverstand over kan bestaan hoe u moet
bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte
gedetailleerde eisen worden loketcriteriat genoemd. Iedere
gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk
1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling
nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.
Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief
getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen
is echter een zogenoemde A?a??E?excessen regeling ingesteld,
want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd
zijn met redelijke eisen van welstand En wel zodanig dat de
gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar
wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen,
ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in
het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op
technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant
voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het
milieu en het gebruikscomfort.
Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning
of bouwvergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet
altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de
verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur
kan u hier meer over vertellen.

Zijn de dakkapellen voorzien van een plat dak?
Is de hoogte van de dakkapel minder dan1,5 meter?
Ligt deonderzijde vande dakkapel meer dan0,5 meter boven de dakvoet?
Ligt de onderzijde van de dakkapel minder dan 1 meter boven de dakvoet?
Ligt de boven zijde van de dakkapel meer dan 0,5 meteronderde daknok?

licht-vergunningplichtig bouwvergunningsvrij

Liggen dezijkanten van dedakkapel meerdan 0,5 metervan de zijkantenvan het dakvlak?
Zijn de wanden van de dakkapelondoorziching?
Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met
het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld.
Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de
gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als
u er met de buren niet uitkomt.
Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen,
ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen
wordt u het dan eens – wellicht na een kleine aanpassing van
uw plan.

Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het plaatsen van
dakkapellen, dan zal dit in de meeste gevallen een lichte-bouwvergunning
zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning
wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 – U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard
formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag
uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet
(www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier
staat welke stukken u mee moet leveren.

Stap 2 – Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw
plan, dan moet u dat binnen vier weken van de gemeente horen.
De gemeente zal aangeven binnen welke termijn u de ontbrekende
stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn hiervoor
is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw
aanvraag op dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van
uitgaan dat uw aanvraag compleet is.

Stap 3 – De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke
kwaliteit volgens de voorschriften van het bestemmingsplan
en de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
en de welstandsvoorschriften. Het plan wordt voorts op
constructieve veiligheid getoetst volgens de technische minimumeisen
uit het Bouwbesluit.

Stap 4 – De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u
wel of niet een lichte-bouwvergunning krijgt.
Voor de reguliere-bouwvergunningsprocedure gelden uitgebreidere
toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken
(deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).
Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij het (ver)bouwen ook te
maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen
bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning,
een uitritvergunning, een sloopvergunning of kapvergunning.
Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen
met uw gemeente.

Bijgebouwen en overkappingen

Wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?

Een schuur of garage in de tuin of een carport om uw auto droog te houden maken het wonen weer een stukje comfortabeler. Dit soort bouwwerken zijn er in vele soorten en maten, waarbij het bij een overkapping (bijvoorbeeld carport) om een open constructie gaat. Het bouwen ervan kan echter niet zomaar. U zult zich namelijk aan bepaalde regels moeten houden, onder meer om uw veiligheid en die van omwonenden te waarborgen. Maar ook omdat uw uitbreiding moet passen in de omgeving en uw buren er geen last van mogen hebben. Pas als aan de voorwaarden wordt voldaan mogen ze bouwverguningsvrij worden gerealiseerd. In deze folder leest u meer over de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij en bouwvergunningsplichtig bouwen van bijgebouwen en overkappingen zoals die per 1 januari 2003 gelden.

Wat is een bijgebouw?
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Aan- en uitbouwen staan direct in verbinding met het woonhuis, zoals een serre, bijkeuken of soms een garage. Heeft zo’n garage of een ander bouwwerk echter geen directe verbinding met het woonhuis (het kan dus alleen via een aparte toegangsdeur worden bereikt), dan wordt gesproken over bijgebouwen. Voor aan- en uitbouwen gelden andere voorwaarden, daarom bestaat daar een aparte folder over.

Voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u het bijgebouw of de overkapping wilt bouwen. In de regel geldt dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen), zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning, een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een bijgebouw of overkapping aan de voor- of zijkant van de woning meestal niet bouwvergunningsvrij worden uitgevoerd.

Geen bouwvergunning nodig
Als uw bijgebouw of overkapping aan de volgende voorwaarden voldoet mag u het zonder bouwvergunning bouwen:
1. het bijgebouw of de overkapping wordt gebouwd bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw;
2. het bijgebouw of de overkapping moet op de grond staan (u mag dus geen bouwvergunningsvrij bijgebouw bovenop een al bestaand gebouw bouwen);
3. het bijgebouw of de overkapping mag niet hoger zijn dan A?A?n bouwlaag;
4. het bijgebouw of de overkapping moet strekken tot vergroting van het woongenot. Met woongenot wordt bedoeld dat het gebruik van het bijgebouw gerelateerd moet zijn aan het wonen. Als u een garage bijbouwt mag dit niet zonder bouwvergunning als u daar vervolgens een winkel in begint;
5. a) als u het bijgebouw of de overkapping bouwt op een achtererf, dan moet de afstand tussen het bijgebouw of de overkapping en de weg of het openbaar groen aan alle zijden meer dan 1 meter zijn;
b) als u het bijgebouw of de overkapping bouwt op een zijerf dat niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd is, dan moet de afstand tussen het bijgebouw of de overkapping en het voorerf ten minste 1 meter zijn;
6. als de bruto vloeroppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer dan 10 m2 is, moet de afstand tot het erf van uw buren tenminste 1 meter zijn;
7. het bijgebouw of de overkapping is niet hoger dan 3 meter, gemeten vanaf het aansluitend terrein (zie uitleg van dit begrip);
8. het bouwen van het bijgebouw of de overkapping mag niet tot gevolg hebben dat het zij- of achtererf voor meer dan de helft is volgebouwd. Eventuele andere bouwwerken op dat erf moeten hierbij worden meegerekend. U mag bovendien maximaal 30 m2 aan bouwvergunningsvrije bijgebouwen of overkappngen op uw totale erf bouwen;
9. het bijgebouw of de overkapping mag niet gebouwd worden bij een tijdelijk bouwwerk, zoals een woonkeet of een woonwagen. Ook bij een vakantiehuisje of een ander bouwwerk dat niet permanent mag worden bewoond mag niet bouwvergunningsvrij een bijgebouw of overkapping worden gebouwd;
10. het bijgebouw of de overkapping mag niet gebouwd worden bij een monument of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden (1 tot en met 10) mag u het bijgebouw of de overkapping zonder bouwvergunning plaatsen. Deze voorwaarden gelden ook als u iets wilt veranderen aan een bestaand bijgebouw of overkapping.

Aansluitend terrein
De hoogte van een aan- of uitbouw wordt gemeten vanaf het aansluitende terrein (veelal de tuin). Het gaat om buitenwerkse maten gemeten tot aan de nokhoogte van het bouwwerk. Als het nodig is om dit terrein eerst op te hogen voordat daarop de aan- of uitbouw wordt neergezet, dan geldt die nieuwe hoogte als uitgangspunt.

Wel een bouwvergunning nodig
Als uw bouwplan niet voldoet aan (A?A?n van) de voorwaarden 1 t/m 4 dan moet u een reguliere-bouwvergunning aanvragen. Als uw bouwplan wel voldoet aan de eerste vier voorwaarden maar niet aan A?en van de andere voorwaarden dan moet u een lichte-bouwvergunning aanvragen. Voldoet uw bouwplan wel aan de eerste vier voorwaarden en is uw bouwwerk hoger dan 5 meter of is het groter dan 50 m2 dan moet u een reguliere-bouwvergunning aanvragen.

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen mag u zonder bouwvergunning bouwen. De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.

Monumenten
Bouwt u in, op, aan of bij een monument dat door het Rijk, de provincie of de gemeente is aangewezen of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, dan mag dat nooit bouwvergunningsvrij. Voor bouwvergunningsvrije bouwwerken is dan altijd toch een bouwvergunning nodig.

Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften die bij de verschillende bestemmingen horen.

Uw bouwplan moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken, voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan voor aanvragen.

Welstand
De gemeente mag een licht-vergunningplichtig bouwplan zelf aan A?a??E?redelijke eisen van welstand toetsen of het bouwplan voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester. Bij een regulier vergunningplichtig bouwwerk is het advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk binnen de directe omgeving past.

Om u als burger vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid te geven moet de gemeente in een welstandsnota voor gebieden die zijA?welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven. Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd zijn dat er bij u geen enkel misverstand over kan ontstaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen. Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteria genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen is echter een zogenoemde excessenregeling ingesteld, want men kan bouwsels maken die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan minimumeisen op technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu en het gebruikscomfort. Of u nu volgens een reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning of vergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de verantwoordelijkheid. Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier meer over vertellen.

Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast als u er met de buren niet uitkomt. Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen, ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel gevallen wordt u het dan eens wellicht na een kleine aanpassing van uw plan.

Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping, dan zal dit in de meeste gevallen een lichte-bouwvergunning zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning wordt de volgende procedure doorlopen:

Stap 1 U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard formulier volgens standaard indieningsvereisten. Vraag uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet (www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier staat welke stukken u mee moet leveren.

Stap 2 Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van uw plan, dan moet u dat
binnen vier weken van de gemeente horen. De gemeente zal aangeven binnen
welke termijn u de ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale termijn
hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na indiening van uw aanvraag op
dat punt niets van de gemeente, dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag
compleet is.

Stap 3 De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn ruimtelijke kwaliteit
volgens de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en de
welstandsvoorschriften. Het plan wordt op zijn constructieve veiligheid getoetst
volgens de technische minimumeisen uit het Bouwbesluit.

Stap 4 De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of u wel of niet een lichte-
bouwvergunning krijgt.

Voor de reguliere-bouwvergunning gelden uitgebreidere toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken (deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).

Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning, uitritvergunning, sloopvergunning of kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met uw gemeente.

Aan- en uitbouwen

Is uw woning toch een beetje te klein geworden en is een serre
de oplossing? Of wilt u een garage voor uw auto? Als de ruimte
er is, waarom zou u deze dan niet benutten. Zulke aan- en uitbouwen
kunt u echter niet zomaar bouwen. U zult zich namelijk
aan bepaalde regels moeten houden, onder meer om uw veiligheid
en die van omwonenden te waarborgen. Maar ook omdat
uw uitbreiding moet passen in de omgeving en uw buren er
geen last van mogen hebben. In sommige gevallen is daar een
bouwvergunning voor nodig, in andere gevallen niet.
In deze brochure leest u meer over de voorwaarden voor
bouwvergunningsvrij en bouwvergunningplichtig bouwen van
aan- en uitbouwen zoals die per 1 januari 2003 gelden.
Wat is een aan- of uitbouw?
Een aan- of uitbouw is een bouwwerk dat u tegen uw bestaande
woning aanbouwt en dat direct in verbinding staat met het
woonhuis. Dit kan een garage of een berging zijn, maar ook
een uitbouw van uw woonkamer in de vorm van een serre of een
uitbouw aan de keuken.
Er wordt in de regelgeving ook over bijgebouwen gesproken.
Dit kan ook een garage of berging zijn, maar dan kan deze alleen
bereikt worden via een aparte toegangsdeur (dus niet rechtstreeks
vanuit de woning). Voor bijgebouwen gelden andere
voorwaarden, daarom bestaat daar een aparte folder over.
De voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u de aan- of uitbouw wilt bouwen. In de regel
geldt, dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen),
zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning,
een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken
die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een
aan- of uitbouw aan de voor- of zijkant van de woning meestal
niet bouwvergunningsvrij worden gebouwd.
Geen bouwvergunning nodig
Als u bouwvergunningsvrij een aan- of uitbouw wilt plaatsen moet
uw bouwplan aan de volgende voorwaarden voldoen:
1. de aan- of uitbouw wordt gebouwd aan een bestaande woning
of een bestaand woongebouw.
2. de aan- of uitbouw moet op de grond staan (u mag dus geen
bouwvergunningsvrije aanbouw bovenop een al bestaande
aanbouw bouwen).
3. de aan- of uitbouw mag slechts uit A?A?n bouwlaag bestaan.
4. de aan- of uitbouw moet strekken tot vergroting van het
woongenot. Met woongenot wordt bedoeld dat het gebruik
van de aan- of uitbouw gerelateerd moet zijn aan het wonen.
Het aanbouwen van bijvoorbeeld een winkelruimte aan uw
huis valt hier niet onder.
5. a) als u de aan- of uitbouw bouwt aan een oorspronkelijke
achtergevel, dan moet de afstand tussen de aan- of uit
bouw en de weg of het openbaar groen aan alle zijden
meer dan 1 meter zijn.
b) als u de aan- of uitbouw bouwt aan een oorspronkelijke
zijgevel die niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd
is, dan moet de afstand tussen de aan- of uitbouw en het
voorerf en de afstand tussen de aan- of uitbouw en het erf
van uw buren ten minste 1 meter zijn.
6. de aan- of uitbouw
– is niet hoger dan 4 meter, gemeten vanaf het aansluitend
terrein1 en
Aan- en uitbouwen
Wanneer bouwvergunningsvrij,
wanneer een bouwvergunning nodig?
1 De hoogte van een aan- of uitbouw wordt gemeten vanaf het aansluitende terrein
(veelal de tuin). Het gaat om buitenwerkse maten gemeten tot aan de nokhoogte
van het bouwwerk. Als het nodig is om dit terrein eerst op te hogen voordat daarop
de aan- of uitbouw wordt neergezet, dan geldt die nieuwe hoogte als uitgangspunt.
In dit geval mag u deze aan- of uitbouw bouwvergunningsvrij plaatsen.
-A?is niet hoger dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste
verdieping van uw woning en
-A?A?is niet hoger dan de woning waar u tegenaan bouwt.
7. de aan- of uitbouw is niet breder dan de oorspronkelijke
gevel waar deze tegenaan komt en steekt ten opzichte van
de breedte van die gevel niet uit.
8. de aan- of uitbouw is minder dan 2,5 meter diep, gemeten
vanuit de oorspronkelijke gevel waar tegenaan wordt
gebouwd.
9. het bouwen van de aan- of uitbouw mag niet tot gevolg hebben
dat het zij- of achtererf waarop u bouwt voor meer dan
de helft is volgebouwd. Alle eventuele andere bouwwerken
op dat erf moeten hierbij worden meegerekend.
10. de aan- of uitbouw mag niet gebouwd worden aan een gevel
van een tijdelijke woning of woongebouw, zoals een woonkeet,
of aan een woonwagen. Ook aan de gevel van een andere
woning of woongebouw, dat niet permanent mag worden
bewoond, zoals een vakantiehuisje, mag niet bouwvergunningsvrij
een aan- of uitbouw worden gebouwd.
11. de aan- of uitbouw mag niet gebouwd worden bij een monument
of in een door het Rijk aangewezen beschermd stadsof
dorpsgezicht.
Alleen als voldaan wordt aan alle genoemde voorwaarden (1 t/m
11) mag u de aan- of uitbouw zonder bouwvergunning plaatsen.
Deze voorwaarden gelden ook als u bouwvergunningsvrij iets wilt
veranderen aan een bestaande aan- of uitbouw.
Wel een bouwvergunning nodig
Als uw bouwplan niet voldoet aan (A?A?n van) de voorwaarden
1 tot en met 4 dan moet u een reguliere-bouwvergunning
aanvragen. Als uw bouwplan wel aan eerste vier voorwaarden
voldoet, maar niet aan A?A?n van de andere voorwaarden,
dan moet u een lichte-bouwvergunning aanvragen. Voldoet
uw bouwplan wel aan de eerste vier voorwaarden en is uw
bouwwerk hoger dan 5 meter, dan moet u een regulierebouwvergunning
aanvragen.
Ga alvast zelf na of u een bouwvergunning nodig heeft
Wilt u uw woning uitbreiden met een aan- of uitbouw? Doorloop
de stappen uit het schema en ontdek of en zo ja, welke bouwvergunning
u nodig heeft.
Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan de voorwaarden voor bouwver-

De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening
en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen
zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking
tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit
en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek
gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor
zorgen dat u aan deze regels voldoet.
Bestemmingsplan
In het bestemmingsplan legt de gemeente regels vast voor de
ruimtelijke ordening. Deze plannen zijn bindend voor u als
burger. Daar staat precies in welke bestemming de grond heeft,
bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren.
Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven.
Het plan geeft ook bouw- en gebruiksvoorschriften
die bij de verschillende bestemmingen horen. Uw bouwplan
moet in principe altijd passen binnen het bestemmingsplan van
uw gemeente. Wanneer u iets (ver)bouwt dat bouwvergunningsvrij
is gelden echter alleen de voorschriften uit het bestemmingsplan
met betrekking tot het gebruik. Wanneer u het
gebouwde na uitvoering van de bouwplannen wilt gaan gebruiken
voor een doel dat op grond van het bestemmingsplan niet
is toegestaan moet u hier, ook al betreft het een in principe
bouwvergunningsvrij bouwwerk, vrijstelling van het bestemmingsplan
voor aanvragen.
Welstand
De gemeente mag een licht-bouwvergunningplichtig bouwplan
zelf aan redelijke eisen van welstand toetsten of het bouwplan
voorleggen aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester.
Bij een regulier-bouwvergunningplichtig bouwwerk is het
advies van de welstandscommissie of de stadsbouwmeester
verplicht. Bij de toets aan de welstandseisen wordt gekeken of
de vorm en het materiaal- en kleurgebruik van het bouwwerk
binnen de directe omgeving past. Om u als burger vooraf zoveel
mogelijk duidelijkheid te geven, moet de gemeente in een welstandsnota
zo concreet mogelijke welstandseisen aangeven.
Bij een aantal bouwwerken (aan-/uitbouwen, bijgebouwen/
overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en
erfafscheidingen) moeten de welstandseisen zo gedetailleerd
en duidelijk zijn, dat er bij u geen enkel misverstand over kan
bestaan hoe u moet bouwen om aan de welstandseisen te voldoen.
Die verplichte gedetailleerde eisen worden loketcriteriaA?genoemd. Iedere gemeente moet haar welstandsnota en loketcriteria
uiterlijk 1 juli 2004 vastgesteld hebben. Tot die tijd hoeft
de welstandsbeoordeling nog niet op een welstandsnota gebaseerd
te zijn.
Bouwvergunningsvrije bouwwerken worden niet preventief
getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor uitzonderingsgevallen
is echter een zogenoemde excessen-regeling ingesteld,
want men kan bouwsels maken dieA?in ernstige mate in
strijd zijn met redelijke eisen van welstand. En wel zodanig dat
de gemeente zich genoodzaakt voelt om in te grijpen. De eigenaar
wordt dan verzocht het uiterlijk van het bouwsel aan te
passen, ondanks het feit dat het bouwvergunningsvrij is.
Bouwbesluit: hoe te bouwen
Waar u bij het bouwen of verbouwen aan moet voldoen, staat in
het Bouwbesluit. In het Bouwbesluit staan de minimumeisen op
technisch gebied die voor heel Nederland gelden. Ze staan
garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening
met het milieu en het gebruikscomfort. Of u nu volgens een
reguliere-bouwvergunning, een lichte-bouwvergunning of
bouwvergunningsvrij bouwt: uw bouwwerk moet altijd voldoen
aan het Bouwbesluit. Daarvoor draagt u zelf de verantwoordelijkheid.
Uw gemeente, aannemer of bouwadviseur kan u hier
meer over vertellen.
Verplicht rekening houden met uw buren
Behalve de regels rondom het bouwen heeft u ook te maken
met het zogeheten burenrecht, dat in het Burgerlijk Wetboek is
geregeld. Daarmee is feitelijk niets anders vastgelegd dan de
gebruikelijke omgangsvormen. Ze geven u (wettelijk) houvast
als u er met de buren niet uitkomt.
Het belangrijkste advies is om eerst met uw buren te overleggen,
ze in te lichten over uw voorgenomen bouwplannen. In veel
gevallen wordt u het dan eens – wellicht na een kleine aanpassing
van uw plan.
Wat betekent een bouwvergunning voor u?
Als u een bouwvergunning nodig heeft voor het bouwen van een
aan- of uitbouw, dan zal dit in de meeste gevallen een lichtebouwvergunning
zijn. Bij een aanvraag voor een lichte-bouwvergunning
wordt de volgende procedure doorlopen:
Stap 1 – U dient uw bouwplan in bij de gemeente op een standaard
formulier volgens standaard indieningsvereisten. VraagA?uw gemeente hiernaar of haal het formulier van internet

(www.vrom.nl/woningwet). In de bijlage bij het aanvraagformulier
staat welke stukken u mee moet leveren.
Stap 2 – Blijkt dat er nog stukken ontbreken na indiening van
uw plan, dan moet u dat binnen vier weken van de gemeente
horen. De gemeente zal aangeven binnen welke termijn u de
ontbrekende stukken alsnog kunt aanleveren (de maximale
termijn hiervoor is vier weken). Hoort u binnen vier weken na
indiening van uw aanvraag op dat punt niets van de gemeente,
dan kunt u er van uitgaan dat uw aanvraag compleet is.
Stap 3 – De gemeente beoordeelt uw plan met name op zijn
ruimtelijke kwaliteit volgens de voorschriften van het bestemmingsplan
en de stedenbouwkundige voorschriften van de
bouwverordening en de welstandsvoorschriften. Het plan wordt
voorts op constructieve veiligheid getoetst volgens de technische
minimumeisen uit het Bouwbesluit.
Stap 4 – De gemeente geeft u binnen zes weken uitsluitsel of
u wel of niet een lichte-bouwvergunning krijgt.
Voor de reguliere-bouwvergunningsprocedure gelden uitgebreidere
toetspunten en een langere beslistermijn van twaalf weken
(deze termijn is daarbij eenmalig met zes weken te verlengen).
Vraag het uw gemeente
Naast een bouwvergunning kunt u bij het (ver)bouwen ook te
maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht
geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning,
een uitritvergunning, een sloopvergunning of
kapvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan
contact op te nemen met uw gemeente.

Spelregels voor bouwen en verbouwen

Volgens de Woningwet per 1 januari 2003.A?Spelregels voor bouwen en verbouwen

De A?A?n wil een carport, de ander bouwt een serre aan zijn huis, plaatst een dakkapel of zet een nieuwe schutting in de tuin. Iedereen heeft zo zijn wensen, maar mag dat allemaal zo maar?
De ruimte in Nederland is schaars, daar moeten we zorgvuldig mee omgaan. De overheid heeft daarom in de Woningwet vastgelegd wanneer u wel of geen bouwvergunning nodig heeft en aan welke regels u zich daarbij moet houden.
Vanaf 1 januari 2003 zijn deze spelregels vernieuwd. In deze brochure worden de nieuwe regels voor bouwen en verbouwen op hoofdlijnen uitgelegd. Voor meer informatie kunt u altijd contact opnemen met uw gemeente. En vergeet ook uw buren niet te informeren voordat u begint!

Bouwvergunning, ja of nee?
Als u gaat verbouwen moet u daar meestal een bouwvergunning van de gemeente voor hebben. Voor een aantal bouwwerken is geen bouwvergunning nodig, mits u aan bepaalde voorwaarden voldoet. Alle andere (ver)bouwplannen moeten worden voorgelegd aan de gemeente. Deze toetst ze dan vooraf op een aantal door de wet voorgeschreven punten. Sommige (kleinere) bouwwerken doorlopen een lichte bouwvergunningprocedure en ondergaan daarbij een minder uitgebreide toets dan bouwwerken die aan een reguliere bouwvergunningprocedure worden onderworpen.

De regels verschillen per bouwwerk en per situatie. Ze schrijven bepaalde voorwaarden voor waaraan moet worden voldaan om bouwvergunningsvrij te mogen bouwen. Als uw bouwwerk aan A?A?n van deze voorwaarden niet voldoet, dan geldt de vergunningsvrijheid niet meer. Het is daarom niet mogelijk u een kort lijstje van bouwwerken te presenteren die ofwel bouwvergunningsvrij ofwel licht-vergunningplichtig zijn.

Wat is bouwvergunningsvrij bouwen?
Als uw bouwplan voldoet aan alle voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen, dan mag u zonder bouwvergunning bouwen (deze voorwaarden staan in een landelijk besluit op grond van de Woningwet). De regels in het bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening en in principe ook de gemeentelijke welstandseisen zijn in dat geval niet van toepassing. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, gelden echter wel. Als u gaat (ver)bouwen moet u er zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet.

Woningwet voor alle bouwwerken
De Woningwet geldt voor alle bouwwerken: woningen, kantoren, winkels, maar ook pergola’s, zonweringen, rolluiken, (schotel)antennes en schuttingen. In deze brochure gaat het met name om woningen en daaraan gerelateerde bouwwerken.

De Woningwet kent drie categorieA?n bouwwerken:

Bouwvergunningsvrije bouwwerken
Meestal zijn kleine bouwwerken, zoals een afscheiding tussen balkons of dakterrassen, zonweringen of rolluiken, maar ook dakkapellen en bijgebouwen aan de achterkant van een woning, bouwvergunningsvrij. U kunt deze bouwactiviteiten uitvoeren zonder dat u daarvoor eerst toestemming van de gemeente nodig heeft.

Licht-vergunningplichtige bouwwerken
Kleinere bouwwerken, zoals een dakkapel of bijgebouw aan de voorkant van een woning, zijn meestal licht-vergunningplichtig. De gemeente toetst deze bouwwerken aan het bestemmingsplan, de welstandseisen, de monumentenvergunningvereiste, de stedenbouwkundige voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening.en eisen met betrekking tot constructieve veiligheid uit het Bouwbesluit.

Regulier-vergunningplichtige bouwwerken
Alle overige bouwwerken, zoals bijvoorbeeld een dakopbouw, zijn regulier bouwvergunningplichtig. Ook hier wordt aan het bestemmingsplan, de welstandseisen, monumentenvergunningvereiste en de stedenbouwkundige voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening getoetst. Voorts beoordeelt de gemeente het plan vooraf op alle technische eisen uit het Bouwbesluit.

Bouwvergunningsvrij of licht-vergunningplichtig?

Lijst
Welke bouwwerken bouwvergunningsvrij zijn of slechts een lichte bouwvergunningsprocedure doorlopen staat in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Dat is een officieel, wettelijk document dat bij de Woningwet hoort. Niemand mag van die lijst afwijken; de gemeente mag er dus ook geen bouwwerken aan toevoegen of afhalen of extra regels stellen.
Vanaf 1 januari 2003 is er overigens geen meldingplicht meer. Deze gold voor een aantal kleinere bouwwerken. Een deel van deze bouwwerken is bouwvergunningsvrij geworden en een deel is licht-vergunningplichtig geworden.

De situatie is bepalend
Welk bouwvergunningsregime geldt, hangt af van een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden hebben onder meer te maken met de afmetingen en plaats van het bouwwerk en de aard van het gebouw waarbij gebouwd wordt. Voor een aantal veelvoorkomende bouwwerken heeft het ministerie van VROM aparte folders gemaakt (zie achterin deze folder bij meer informatie).
Als u twijfelt of u bouwvergunningsvrij mag bouwen is het raadzaam even bij uw gemeente te informeren. Zo voorkomt u dat u bouwt in strijd met de regels.

Voor- en achterkant-benadering
Belangrijk is waar u gaat (ver)bouwen. In de regel geldt dat bouwen aan de voorkant en bij hoekwoningen ook aan de zijkant van een woning, meer invloed heeft op de kwaliteit van de leefomgeving dan bouwen aan de achterkant. Op die plaatsen mag er dus niet zo snel bouwvergunningsvrij worden gebouwd.
Dit wordt de voor- en achterkant-benadering genoemd. Die is van toepassing op:
-A?aan- of uitbouwen aan de woning zoals een serre, bijkeuken, garage of berging;
-A?(vrijstaande) bijgebouwen zoals een schuur of garage, en overkappingen zoals een carport;
-A?kozijn- en gevelwijzigingen;
-A?dakkapellen;
-A?erf- en perceelafscheidingen hoger dan 1 meter zoals een schutting.

Figuur 1 legt in grote lijnen uit wat de voor- en achterkant-benadering betekent voor de bovengenoemde bouwwerken.

Figuur 1 Voor- en achterkant-benadering

Voorgevel bepalend
Als we weten wat de voorgevel is, dan is het geen probleem om de zijgevel en achtergevel aan te wijzen. Het kan overigens altijd maar om A?A?n voorgevel gaan, dus ook bij hoekwoningen. Bij de meeste gebouwen is het duidelijk wat de voorgevel is. Is dat niet het geval dan geldt in eerste instantie de officiA?le voorgevelrooilijn uit het bestemmingsplan of de bouwverordening. Mocht dit nog geen eenduidig antwoord opleveren, dan wordt er per locatie beslist, mede op grond van jurisprudentie zoals over de plek van het huisnummer, de hoofdingang, de brievenbus en de hoofdontsluiting.

Figuur 2 maakt duidelijk wat het voor-, zij- en achtererf is. Daarnaast laat figuur 2 zien, dat bijvoorbeeld de zijstroken op het erf aan de voorkant zowel zijerf als voorerf zijn. In deze overlapgebieden gelden de voorwaarden voor zowel het voorerf als het zijerf. In die gevallen geldt de zwaarste eis.

Figuur 2 Uitleg voor-, zij- en achterkant van een woning

Normaal onderhoud aan uw woning bouwvergunningsvrij
Vervangt u een aantal dakpannen, uw goot of kozijn, of schildert u de buitenboelA?a??a??, dan valt dit onder het normaal onderhoudswerk. Dit kan bouwvergunningsvrij worden uitgevoerd, mits u dezelfde afmetingen en indeling aanhoudt.

Aanschrijving door de gemeente
Als u een verbouwing uitvoert naar aanleiding van een aanschrijving van de gemeente hoeft u daar geen bouwvergunning voor aan te vragen. Dit is een bevel tot onderhoud of verbetering, bijvoorbeeld omdat er een gevaarlijke situatie is ontstaan. Hierbij geeft de gemeente toch al precies aan op welke punten er op welke manier iets moet veranderen.

Woningen en woongebouwen
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en ook kozijn- en gevelwijzigingen mogen alleen in de woningbouw bouwvergunningsvrij of licht-vergunningplichtig worden gebouwd. In andersoortige gebouwen is altijd een reguliere bouwvergunning verplicht. Dit heeft te maken met de risico’s voor de brandveiligheid, die door hun gebruik in dit soort gebouwen groter zijn (denk bijvoorbeeld aan een fabriek of een cafe).

Monumenten nooit bouwvergunningsvrij
Bouwen of verbouwen in, op, aan of bij een (Rijks-, provinciaal of gemeentelijk) monument mag nooit bouwvergunningsvrij. Dat geldt ook voor gebouwen die liggen in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook als de verbouwing door de gemeente is opgelegd (aanschrijving) of bij het plegen van normaal onderhoud moet u in deze gevallen een bouwvergunning aanvragen.

Recreatiewoningen, woonwagens en tijdelijke bouwwerken
Bij recreatiewoningen waarin niet permanent mag worden gewoond, woonwagens of tijdelijke bouwwerken zoals een woonkeet, mag u geen aan- of uitbouw plaatsen zonder bouwvergunning. Denk aan een serre, berging, garage of bijkeuken. Dat geldt ook voor dakkapellen, bijgebouwen (zoals een aparte schuur, tuinhuisje e.d.) en overkappingen (carport, houtopslag e.d.). Het gaat immers niet voor niets om recreatief en tijdelijk gebruik of een verplaatsbaar bouwwerk. (Ver)bouwen zonder bouwvergunning zou ongemerkt langdurig en permanent gebruik en dus illegale bewoning in de hand kunnen werken. Vandaar dat in dit soort gevallen een (lichte) bouwvergunningplicht geldt.

Zelf uitzoeken via internet
Als u gebruik maakt van internet kunt u op www.vrom.nl/woningwet eenvoudig met een programma achterhalen of in uw geval een bouwvergunning is vereist. Met dit handige hulpmiddel beantwoordt u een paar vragen, waarna wordt aangegeven of en zo ja, welke bouwvergunning u moet aanvragen. Op de internetsite kunt u overigens ook de volledige wetsteksten van de Woningwet raadplegen.

Al begonnen voor 1 januari 2003?
Was u voor 1 januari 2003 al met (ver)bouwen begonnen? Dan kunt u gewoon de regels van voor die datum aanhouden. Stel dat u reeds gestart was met de bouw van een – toen nog – bouwvergunningsvrije carport, dan mag u die bouwvergunningsvrij afbouwen, ook al is deze volgens de nieuwe regels in uw geval bouwvergunningplichtig.

Als de gemeente uw bouwvergunningplichtig of meldingplichtig bouwwerk in behandeling heeft genomen voor 1 januari 2003 en dit bouwwerk volgens de gewijzigde Woningwet bouwvergunningsvrij is geworden, dan zal de gemeente de behandeling van uw aanvraag staken en kunt u zonder toestemming gaan bouwen, mits u zich daarbij aan de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen houdt.

Regels bij bouwvergunningsvrij bouwen

Bij het bouwvergunningsvrij (ver)bouwen in, op, aan of bij uw woning geldt een aantal regels:

Erf en dak niet volbouwen
Uw zij- of achtererf mag niet voor meer dan de helft bebouwd zijn. Als dit wel het geval is, zult u een bouwvergunning moeten aanvragen. Deze regel voorkomt dat binnenterreinen worden volgebouwd en geldt voor:
A?a??A? aan- en uitbouwen zoals een serre, berging, garage, bijkeuken,
A?a??A? vrijstaande bijgebouwen zoals een schuur, garage, kweekkas, tuinhuisje,
A?a??A? overkappingen zoals een carport.

Bij het plaatsen van een dakkapel of dakraam moet een afstand 0,5 meter tot de dakranden worden vrijgehouden.

Bouwbesluit: hoe te bouwen
Als u gaat bouwen moet u altijd aan het Bouwbesluit (wettelijk vastgelegde technische minimumeisen) voldoen, ook als vooraf geen bouwvergunning nodig is. Als u hier niet aan voldoet kunnen burgemeester en wethouders u dwingen het bouwwerk zodanig aan te passen dat het geen gevaar meer oplevert of het zelfs af te breken. Uw bouwadviseur kan u meer vertellen over het Bouwbesluit (meer informatie over het Bouwbesluit vindt u op www.vrom.nl/bouwbesluit).

Bestemmingsplan aanhouden
In de voorwaarden voor bouwvergunningsvrij bouwen worden voor een aantal bouwwerken ook voorwaarden genoemd die een relatie hebben met het gebruik van dat bouwwerk. Wordt het bouwwerk ergens anders voor gebruikt, dan moet een bouwvergunning worden aangevraagd.
Aan- en uitbouwen aan de woning mogen bijvoorbeeld alleen vergunningsvrij worden gebouwd als deze bestemd zijn A?a??E?ter vergroting van het woongenot. Als u in deze aanbouw een winkeltje wilt beginnen moet u een bouwvergunning aanvragen. Bij de bouwvergunningsprocedure wordt ook getoetst aan het bestemmingsplan.

Redelijke eisen van welstand
Een bouwvergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen aan wat u mag bouwen. Als u een bouwwerk maakt dat A?a??E?in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, dan kan de gemeente ingrijpen. Daarvoor is een zogenoemde excessenregeling ingesteld. Op grond van die regeling kunt u gedwongen worden uw al te lelijke bouwwerk dat ernstig uit de toon valt aan te passen. Het kan zijn dat uw buren de gemeente op zo’n exces wijzen en gevraagd hebben die regeling toe te passen. Maar ook het gemeentelijk bouwtoezicht zelf kan ingrijpen tijdens de gebruikelijke controle van uw bouwwerk. Het is daarom verstandig de gemeente vooraf naar de welstandseisen te vragen.

Buren
Behalve de diverse wettelijke documenten die ervoor zorgen dat er verantwoord wordt gebouwd en verbouwd, bestaat ook het burenrecht. Dit is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en regelt de gewenste omgangsvormen. Meer hierover leest u verderop in de brochure.

Van schilderwerk tot schotelantenne

Er zijn legio bouwactiviteiten, waarbij u wellicht aanneemt dat ze bouwvergunningsvrij mogen worden uitgevoerd. Hieronder volgt een aantal voorbeelden van bouwwerken met een globale beschrijving van de randvoorwaarden. Voor gedetailleerde informatie zult u altijd uw licht bij de gemeente moeten opsteken en de folders moeten raadplegen. Deze geven een gedetailleerde uitleg over de meest gangbare kleine bouwwerken (zie achterin deze brochure bij meer informatie).

Dakkapellen
Als u een dakkapel wilt plaatsen aan de achterkant van uw woning dan mag dat bouwvergunningsvrij. Ook het plaatsen van een dakraam aan de achterkant mag zonder bouwvergunning. De dakkapel en het dakraam moeten in dat geval echter wel voldoen aan een aantal eisen met betrekking tot de afstand tot de randen van het dak (deze moet tenminste 0,5 meter zijn) en de hoogte (een dakkapel mag maximaal 1,5 meter hoog zijn).
Daarnaast geldt voor dakkapellen ook de voor- en achterkant benadering. Voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van uw woning of aan de zijkant (als deze naar de weg of het openbaar groen is gekeerd) heeft u een bouwvergunning nodig.
Raadpleeg de aparte folders hierover: dakramen, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig? en dakkapellen, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?.

Antenne plaatsen
Als u een schotelantenne wilt plaatsen mag dat in de meeste gevallen zonder bouwvergunning. Alleen als u een schotelantenne aan de voorkant van uw woning (aan de gevel of in de tuin) wilt plaatsen heeft u hiervoor een bouwvergunning nodig. Een bouwvergunningsvrije antenne mag daarnaast maximaal 3 meter hoog zijn (inclusief de voet of drager) en geen grotere doorsnede dan 2 meter hebben.

Antennes voor mobiele telefonie (GSM-antennes) mogen onder bepaalde voorwaarde ook zonder bouwvergunning gebouwd worden. De voorwaarden zijn er op gericht dat de antennes zo min mogelijk opvallen in het stadsbeeld of de in de open ruimte.

Meer informatie over de voorwaarden voor het bouwvergunningsvrij bouwen van antennes leest u in de folder antennes, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?.

Aanbouwen van serre, berging e.d.
Wilt u een serre, bijkeuken, berging of garage aan uw woning bouwen? Onder bepaalde voorwaarden mag dit zonder bouwvergunning. De aan- of uitbouw mag in ieder geval nooit hoger zijn dan A?A?n bouwlaag en moet op de grond staat (u mag dus geen bouwvergunningsvrije aanbouw bovenop een al bestaande aanbouw bouwen). Verder moet zo’n bouwwerk aan verschillende andere voorwaarden voldoen voordat bouwvergunningsvrij mag worden gebouwd. Deze voorwaarden hebben te maken met de afmetingen van het bouwwerk, maar ook met de situering ten opzichte van de openbare ruimte en de buren (de voor- en achterkantbenadering), terwijl er bij een tijdelijk bouwwerk ook beperkingen gelden. Raadpleeg hierover de aparte folder aan- en uitbouwen, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?.

Kozijn- en gevelwijzigingen
Stel, u wilt uw kozijnen vervangen en daarbij bijvoorbeeld twee openslaande deuren vervangen door een schuifpui. Een dergelijke activiteit wordt niet tot het normaal onderhoud gerekend en mag dus alleen onder bepaalde voorwaarde zonder bouwvergunning worden uitgevoerd. Dat geldt ook bij het aanpassen van uw gevel, bijvoorbeeld als u een andere gevelbekleding wilt toepassen. U mag deze activiteiten bouwvergunningsvrij uitvoeren als de bestaande gevelopeningen niet worden gewijzigd.
Daarnaast is de zogenaamde voor- en achterkantbenadering van toepassing. Ter bescherming van de openbare ruimte mogen kozijn- en gevelwijzigingen alleen aan de achterzijde bouwvergunningsvrij worden toegepast of aan de zijkant als deze niet gericht is naar de weg of het openbaar groen. Voor kozijn- of gevelwijzigingen die direct zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte (de voorkant en in sommige gevallen de zijkant) heeft u dus een bouwvergunning nodig.

In de aparte folder kozijn- en gevelwijzigingen, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig? leest u meer over de voorwaarden om dit bouwvergunningsvrij te mogen doen.

Carport of vrijstaand bijgebouwtje
Wilt u een schuur of garage in uw tuin zetten, los van uw woning, dan wordt dit als een bijgebouw gezien. Dit soort bouwwerken mag, afhankelijk van onder andere de oppervlakte en de plaats waarop het wordt gebouwd (de voor- en achterkantbenadering), bouwvergunningsvrij worden gebouwd. Dat geldt ook voor een overkapping, zoals een carport die als een open constructie los van of tegen de woning wordt gebouwd.
Een voorwaarde voor bouwvergunninsgvrij bouwen is dat de overkapping of het bijgebouw slechts uit A?A?n bouwlaag bestaat en dat het bouwwerk op de grond staat. Verder moet bouwwerk aan nog een aantal andere voorwaarden voldoen om bouwvergunningsvrij gebouwd te mogen worden. Het gaat dan met name om de afmetingen en de situering ten opzichte van de openbare ruimte en het erf van de buren. En als het bijgebouw of de overkapping deel gaat uitmaken van een tijdelijk bouwwerk, zoals een woonkeet, een recreatiewoning of een woonwagen dan is dat nooit bouwvergunningsvrij. Raadpleeg voor meer informatie over het bouwvergunningsvrij bouwen van een bijgebouw of overkapping de aparte folder bijgebouwen en overkappingen, wanneer bouwvergunningsvrij, wanneer een bouwvergunning nodig?.

Toetsen van bouwplannen

De gemeente toetst bouwplannen voor licht-vergunningplichtige en regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken van te voren op een aantal aspecten.

Het bestemmingsplan
In het bestemmingsplan staat precies welke bestemming de grond heeft, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, winkels, recreatie of kantoren. Die verschillende bestemmingen staan op een kaart aangegeven. Het plan beschrijft ook de voorschriften die bij die verschillende bestemmingen horen.
Is uw bouwplan strijdig met wat in het bestemmingsplan staat, dan wordt automatisch aangenomen dat u vrijstelling vraagt, opdat u toch kunt bouwen. Als uw bouwplan past binnen de mogelijkheden van een gemeentelijk vrijstellingsbeleid dan zal de gemeente mogelijk vrijstelling verlenen. Wat in zo’n geval de procedure is, kan uw gemeente u verder uitleggen.

Het Bouwbesluit
De technische eisen waaraan bouwwerken tenminste moeten voldoen staan in het Bouwbesluit. De regels daarin staan garant voor uw veiligheid en gezondheid en houden rekening met het milieu, energiezuinigheid en het gebruikscomfort. Ze gelden voor heel Nederland en voor alle bouwwerken. Ook het Bouwbesluit is, net als de Woningwet, per 1 januari 2003 vernieuwd. Uw bouwadviseur kan u hier meer over vertellen. Meer informatie over het Bouwbesluit kunt u vinden op www.vrom.nl/bouwbesluit.

De gemeentelijke bouwverordening
In deze verordening staan onder andere de voorschriften met betrekking tot de aansluitingen van uw huis op het gemeenteriool en aan de openbare nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ook staat hierin een aantal stedenbouwkundige voorschriften, zoals de afstand die bij het bouwen tot de weg moet worden bewaard.

De welstandstoets
Als uw bouwplan de lichte bouwvergunningsprocedure doorloopt, mag de gemeente uw plan zelf beoordelen of aan de welstandscommissie of stadsbouwmeester voorleggen. Bij een reguliere vergunningsprocedure is een advies de welstandscommissie of de stadsbouwmeester verplicht. Als uw plan op het punt van welstand wordt afgewezen, dan krijgt u daarover schriftelijk uitleg. Vergaderingen van de welstandscommissie zijn overigens openbaar.

De gewijzigde Woningwet verplicht gemeenten een welstandsnota op te stellen. Daarin moet voor ieder gebied dat een gemeente welstandsgevoelig vindt, zo concreet mogelijk aangegeven worden wat de welstandseisen zijn. Bij een aantal licht-vergunningplichtige bouwwerken moeten die welstandseisen zo gedetailleerd zijn, dat er geen enkel misverstand over kan ontstaan. Dit worden loketcriteria genoemd. Die criteria maken een snelle bouwvergunningsprocedure mogelijk. De loketcriteria moeten in ieder geval worden opgesteld voor de volgende bouwwerken wanneer die licht-vergunningplichtig zijn:
-A?aan- en uitbouwen zoals een serre, berging, garage of bijkeuken;
-A?bijgebouwen en overkappingen, zoals een schuur, kweekkas, tuinhuisje en carport;
-A?veranderen van kozijnen, vensters, ramen, deuren of gevelpanelen;
-A?dakkapellen;
-A?erf- en perceelsafscheidingen (hoger dan 1 meter) zoals een schutting.

Deze welstandsnota moet uiterlijk voor 1 juli 2004 vastgesteld zijn. Heeft een gemeente dat niet gedaan, dan kan vanaf 1 juli 2004 tot het moment dat de welstandsnota alsnog is vastgesteld, niet op welstand worden getoetst. Tot 1 juli 2004 hoeft de welstandsbeoordeling niet op een welstandsnota gebaseerd te zijn.

Procedures

Bouwaanvraag indienen
Als u een (licht-)vergunningplichtig bouwwerk wilt gaan bouwen dan moet u een aanvraag voor een bouwvergunning indienen bij de burgemeester en wethouders van uw gemeente. Daarvoor bestaat een landelijk standaard formulier, dat u bij uw gemeente kunt afhalen of van internet kunt downloaden (www.vrom.nl/woningwet).

Indieningsvereisten
Hoe u de aanvraag vervolgens indient is ook weer aan landelijke regels gebonden, volgens de zogeheten indieningsvereisten. Daarbij is wettelijk vastgelegd welke stukken (zoals een bouwtekening) en gegevens u precies moet aanleveren. De gemeente mag u niet om maar of om andere dingen vragen. In de bijlage bij het aanvraagformulier voor een bouwvergunning staat welke gegevens u voor welke bouwvergunningsprocedure moet aanleveren.

Wanneer uw aanvraag voor een bouwvergunning door burgemeester en wethouders is ontvangen zal eerst worden beoordeeld of deze volledig is. Als niet alle vereiste tekeningen en gegevens aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders u binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid stellen om alsnog de ontbrekende gegevens te overleggen. Burgemeester en wethouders mogen u hiervoor maximaal een periode van vier weken gunnen. Indien u geen gehoor geeft aan het verzoek tot aanvulling van de gegevens kunnen burgemeester en wethouders beslissen om uw aanvraag niet in behandeling te nemen.

Als de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven, mag u de bij een aanvraag voor een bouwvergunning behorende gegevens ook digitaal inleveren.

Behandeling van de bouwaanvraag
Als uw plan geheel volgens de regels is ingediend, gaan de wettelijk vastgestelde behandelingstermijnen in. Deze zijn met de wijziging van de Woningwet korter geworden:

Lichte procedure: de gemeente moet u binnen zes weken laten weten of u toestemming heeft om te bouwen of niet.

Reguliere procedure: de gemeente moet u binnen twaalf weken uitsluitsel geven of u mag bouwen of niet. Deze termijn kan eenmaal verlengd worden met nog eens zes weken. Dit wordt u tijdig gemeld.

Gefaseerde reguliere procedure: De reguliere bouwvergunning kan ook in twee fasen worden aangevraagd.

o In fase 1 wordt bekeken of er ruimtelijke en welstandstechnische bezwaren zijn.
o Als dat niet het geval is, dient u in fase 2 de bouwtechnische uitwerking van uw bouwplan in.

Op die manier maakt u geen onnodige kosten als blijkt dat het bouwplan ruimtelijk niet past. Bij een gefaseerde bouwvergunning heeft de gemeente in iedere fase een beslistermijn van zes weken. Beide fasen mogen eenmalig met zes weken worden verlengd.

Toch langere behandelingstermijn
De maximale termijn van zes (lichte procedure), achttien (reguliere procedure) of vierentwintig (gefaseerde reguliere procedure) weken kan langer gaan duren, maar dan heeft het bijvoorbeeld te maken met het tevens verkrijgen van een vergunning op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Wet milieubeheer of de Monumentenwet. Uw voorgestelde plan kan bijvoorbeeld niet passen binnen de regels van het bestemmingsplan. Wilt u toch bouwen, dan volgt een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan. Deze procedure neemt meer tijd in beslag omdat het plan ter inzage wordt gelegd. De gemeente kan u daarover meer vertellen.

Fictieve vergunning
Als een gemeente binnen de officiele behandelingstermijnen niets van zich heeft laten horen
of te laat is, mag u de aangevraagde bouwvergunning in principe als verleend beschouwen en is er sprake van een fictieve toestemming. U mag dan gaan bouwen ondanks het feit dat de gemeente geen beslissing heeft genomen op uw aanvraag om bouwvergunning.
Van zo’n fictieve vergunning kan echter nooit sprake zijn als uw bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en er dus langer dan de zes, achttien respectievelijk vierentwintig weken gewacht moet worden op een bouwvergunning. Het is dus niet verstandig er zonder meer van uit te gaan dat de bouwvergunning inderdaad verleend zal worden.

Leges
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning mag de gemeente leges heffen. De gemeente stelt het bedrag veelal vast als een percentage van de bouwkosten. De kosten kunnen dus per gemeente verschillen. Informeer hiervoor bij uw gemeente.

Andere vergunningen
Naast een bouwvergunning kunt u bij het (ver)bouwen van uw woning ook te maken krijgen met andere vergunningen. Zo heeft u wellicht geen bouwvergunning nodig, maar bijvoorbeeld wel een milieuvergunning, een uitritvergunning, een kapvergunning of een sloopvergunning. Het is daarom verstandig bij ieder bouwplan contact op te nemen met de gemeente.

Sloopwerkzaamheden
Aan de (ver)bouw kunnen sloopwerkzaamheden voorafgaan. Indien u voorziet dat de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 is of asbest bevat, moet u gelijktijdig met de aanvraag voor een bouwvergunning een sloopvergunning aanvragen. Een aanvraagformulier voor een sloopvergunning is via de gemeente te verkrijgen. Voor asbest gelden speciale regels in verband met uw gezondheid. Vraag uw gemeente ernaar.

Bouwvergunning verleend

Al beginnen of nog even wachten?
In principe kunt u aan de slag zodra u een bouwvergunning heeft. Het is echter raadzaam om – zeker bij een bouwwerk dat in uw buurt gevoelig ligt – eerst de officiele bezwaartermijn af te wachten. Omwonenden en andere belanghebbenden kunnen namelijk tot zes weken na de bekendmaking van de bouwvergunning (of na uw fictieve bouwvergunning) bezwaar aantekenen bij de gemeente. Aansluitend kan een beroepsprocedure aanhangig worden gemaakt bij de rechtbank, waarna ook nog hoger beroep mogelijk is bij de Raad van State. Onder bekendmaking wordt verstaan de dag waarop het besluit om de bouwvergunning te verlenen aan de aanvrager bekend is gemaakt.
Wordt na heroverweging door de gemeente of door een uitspraak van de rechtbank de bouwvergunning vernietigd, dan mag u niet meer bouwen. U moet zelf inschatten of u beter deze periode van (mogelijk) bezwaar en beroep kunt afwachten voordat u met de bouw start. Als er tijdens uw bouwaanvraag al klachten zijn geuit, dan is de kans op eventuele bezwaarschriften groter. U kunt de gemeente overigens niet aansprakelijk stellen als blijkt dat u te vroeg bent gestart met de bouw. Vandaar dat het altijd verstandig is om vooraf met uw buren te overleggen. Dat kan een hoop kou uit de lucht nemen.

Geldigheid bouwvergunning
De verstrekte bouwvergunning kan worden ingetrokken als niet binnen 26 weken na verlening daarvan is gestart met de bouw. Ook als de bouw meer dan 26 weken stil ligt kan de verleende bouwvergunning worden ingetrokken.

Toezicht tijdens de bouw

Tijdens de bouw kan een inspecteur van bouw- en woningtoezicht komen controleren of wordt gebouwd volgens het Bouwbesluit en de verleende bouwvergunning. Er wordt daarbij vooral gelet op de kwaliteit van het gebouwde en op de veiligheid op de bouwplaats en de omgeving tijdens de bouw.

Als blijkt dat wordt gebouwd zonder de vereiste bouwvergunning of in afwijking van de bouwvergunning kan de bouw worden stilgelegd. De gemeente geeft aan wanneer de bouw hervat mag worden.

Rekening houden met de buren

Een goede buur is beter dan een verre vriend
Als u geen problemen met uw buren heeft, dan wordt u het bij de meeste kleinere verbouwingen of aanpassingen wel met elkaar eens. U kunt ongenoegen voor zijn door buren en omwonenden bij uw plannen te betrekken. Wellicht kunt u dan met een kleine aanpassing veel onnodige problemen voorkomen.
Maar er kunnen zich situaties voordoen waarbij u samen niet zo makkelijk tot overeenstemming komt. Dan is er het Burgerlijk Wetboek, dat in een aantal gevallen uitsluitsel kan geven, omdat daarin de gebruikelijke omgangsvormen zijn vastgelegd. Op de internetsite van VROM (www.vrom.nl/woningwet) kunt u de betreffende artikelen uit het Burgerlijk Wetboek nalezen. Het algemene uitgangspunt is dat u uw buren geen hinder mag toebrengen. U kunt hierbij denken aan het wegnemen van licht of lucht en het verspreiden van stank of trillingen.

Steigerrecht
Het kan zijn dat uw buren op uw terrein moeten zijn omdat zij anders bepaalde werkzaamheden niet kunnen uitvoeren aan hun huis. U mag hun de toegang daartoe niet weigeren, tenzij daarvoor heel belangrijke redenen zijn. Uw buren moeten dit wel eerst fatsoenlijk aan u melden en als er schade door ontstaat, bijvoorbeeld door het plaatsen van een steiger, dan zullen zij dat moeten vergoeden.

Erfafscheidingen samen delen
U mag uw erf afbakenen of zelfs afsluiten met bijvoorbeeld met een schutting of hekwerk. U mag deze desgewenst pal op de erfgrens plaatsen, waarbij een maximale hoogte van 1 meter nooit een probleem is. Willen de buren geen erfafscheiding direct op de erfgrens, dan kunt u via de burgerlijk rechter vorderen dat zij daaraan meewerken. Zo’n afscheiding komt dan met de ene helft op het ene terrein en met de andere helft op het andere terrein te staan. U kunt de kosten in dat geval met uw buurman delen, omdat de afscheiding gezamenlijk eigendom is geworden. Uiteraard heeft u dan van te voren wel overlegd over de aard van de afscheiding. Als uw erf grenst aan een openbare weg of een openbaar water en de gemeente of de een andere overheidsinstelling is dus uw buurman, geldt bovenstaande regel niet.
Over bovenstaande zaken kan uw gemeente in haar verordeningen andere regels met betrekking tot de wijze of hoogte van de afscheiding hebben vastgelegd. Informeer hiernaar voordat u een dergelijke erfscheiding plaatst. Als u niet precies weet waar de erfgrens loopt, kunt u het Kadaster in uw regio raadplegen.

Een balkon of kozijn op de grens met de buren
Als u een balkon aan uw huis maakt of u maakt een kozijnopening moet u altijd rekening houden met de buren. Als het balkon of het kozijn uitkijkt op het erf van uw buren moet u een afstand van 2 meter ten opzichte van de erfgrens aanhouden. Als de afstand tot het erf van uw buren kleiner is dan 2 meter moet u hen vooraf toestemming vragen. Indien het naastgelegen erf een openbare weg of openbaar water is, is bovenstaande regel niet van toepassing.

Meer informatie

Uw gemeente is het aangewezen adres om uw licht op te steken wanneer u plannen hebt of te (ver)bouwen. Wij raden u aan om dat vooraf te doen, zeker als u ook maar enigszins twijfelt of u bouwvergunningsvrij mag bouwen.

Meer informatieve folders
Het ministerie van VROM heeft naast deze brochure ook nog een serie gratis folders gemaakt over veel voorkomende bouwwerken. U kunt ze aan uw gemeente vragen, of van de van de VROM-site downloaden (www.vrom.nl/woningwet). Het gaat om de volgende folders:
-A?Aan- en uitbouwen
-A?Bijgebouwen en overkappingen
-A?Dakkapellen
-A?Dakramen
-A?Erf- en perceelafscheidingen
-A?Kozijnwijzigingen.
-A?(Schotel)antennes
-A?Zonnecollectoren en zonnepanelen

Meer achtergrondinformatie is te vinden op www.vrom.nl/woningwet. Op deze site vindt u naast het aanvraagformulier voor een bouwvergunning en de publicaties, een programma waarmee u snel een eenvoudig kunt nagaan of en zo ja, welke bouwvergunning u nodig heeft.

Verder heeft VROM ook diverse publicaties uitgegeven over de overige bouwregelgeving gemaakt. Op www.vrom.nl/bouwregelgeving vindt u hier meer informatie over.